MEANDER
KLASSIEKERS (28)
27 februari
2002
Jan Hanlo –
Oote
___________________________________________________________
Op
het adres http://meander.italics.net/klassiekers/
zijn de Klassiekers
tot en met aflevering 19 te raadplegen, compleet met
poëtisch woordenboek.
Vanaf nr. 20 staan ze op http://meander.italics.net/klassiekers/archief/
----------
LEZERS REAGEREN
Op de bespreking van ‘Tuinpad’ van Ad
Zuiderent kwamen geen reacties binnen.
----------
Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage
leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers, jl@meander.italics.net
--------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende aflevering verschijnt op
20 maart a.s.
Onderwerp van bespreking is dan ‘A en W’ van Ida Gerhardt.
___________________________________________________________
OOTE
Oote
oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote
oote
A
A a a
Oote a a a
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe
oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe oe oe
Oe oe oe etc.
Oote oote
oote
Eh eh euh
Euh euh etc.
Oote
oote oote boe
etc.
etc. etc.
Hoe
boe boe boe
Hoe boe boe boe
B boe
Boe oe oe
Oe oe (etc.)
Oe oe oe
oe
etc.
Eh eh euh euh euh
Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh
Ah ach ah ach
ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda
d dda da
D da d da d da d da d da da
da
Da da
demband
Demband demband dembrand dembrandt
Dembrandt Dembrandt
Dembrandt
Doe d doe d doe dda doe
Da do do do da do do do
Do do da do
deu d
Do do do deu deu doe deu deu
Deu deu deu da dd deu
Deu deu deu
deu
Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
Kneu kneu ote kneu eur
Kneu ote ote ote ote ote
Ote ote ote
Ote ote
Boe
Oote oote oote boe
Oote oote boe oote oote boe
Jan
Hanlo
(1912-1969)
In:
‘Roeping’, 28e jaargang, no. 3, jan-feb
1952.
***
Dit is
een zeer bekend gedicht. Het is zelfs zo bekend, dat we haast teleurgesteld zijn
wanneer het weer eens opduikt in een bloemlezing of poëziekalender. We kennen
het nu wel. Ja, het was bijzonder toen het verscheen, want zoiets was nog nooit
vertoond, en er werden zelfs – unicum! - Kamervragen over gesteld, want hoe
bestond het dat belastinggeld werd uitgegeven aan een tijdschrift dat dit soort
flauwekul ten beste gaf? Maar dat behoort allemaal tot de geschiedenis, en de
overbekende beginklanken maken inmiddels deel uit van onze vaderlandse literaire
canon; eens revolutionair, zijn ze nu de korst geworden die zich vormt op de
lava van ons literaire verleden.
Intussen zitten we met het feit dat het
gedicht zelf er nog steeds is en zich, zoals nu bij deze gelegenheid, weer naar
voren dringt. Een beetje ginnegappend en geamuseerd om zichzelf, want zoveel
heeft het niet om het lijf; het staat of ligt daar maar een beetje klanken te
produceren, te ademen, te horten en te stoten. En elke poging er iets in gewone
taal over te zeggen maakt bij voorbaat een vergeefse indruk; de enige adequate
respons lijkt om hard ‘Oote oote boe’ terug te roepen.
Maar tegen wie dan
wel? Wie of wat is er eigenlijk aan het woord? Op het eerste gezicht zouden we zeggen: een kind, want zie hoe dapper
het probeert uit onsamenhangende klanken iets overdraagbaars te fabriceren, ja
zelfs tracht te komen tot een herkenningspunt voor velen: de naam van een
beroemd schilder, al slaagt het daar niet helemaal in.
Verstand van opbouw en compositie heeft het in ieder geval
wel. Het gedicht begint met een exposé van het thema, ‘oote oote boe’. Daarna
gaat het verhaal van start, en vanzelfsprekend wordt daar de eerste letter van
het alfabet voor gebruikt: de A. Maar dit duurt niet lang. De orthografie (de
spelkunst) is allicht ook niet de aangewezen weg voor wie zich voor het eerst
met taal bekend probeert te maken. Veel leuker is het om eerst de klanken zelf
eens te onderzoeken, en de klank die daar het eerst voor in aanmerking komt is
natuurlijk de ‘oe’. Vijf regels lang gaat ons kind op in de orale lustgevoelens
van deze oerklank; het kan er bijna geen genoeg van krijgen (‘etc.’). Dan
herneemt het zich en herhaalt het thema weer, om in de volgende twee regels
opnieuw een begin te maken met het verhaal. Maar welk verhaal was het ook weer?
‘Eh eh euh / Euh euh etc.’ peinst het. Dan, na nog één keer het thema omstandig
te hebben herhaald, gaat het eindelijk van start en vertelt het hele verhaal,
waarvan het hoogtepunt natuurlijk het bijna verstaanbare ‘Dembrandt’ is: een
overwinning die prompt wordt gevolgd door opgelucht gezang. Het geheel wordt
afgesloten door de epiloog van de laatste strofe, die door inspringing opzij is
gezet.
Het geheel overziend, en met een mengsel van bewondering en
argwaan starend naar het drievoudig herhaalde ‘Dembrandt’ met dt, rijst opnieuw
de vraag wie er hier eigenlijk aan het woord is. Is het wel een kind? Zou een
kind dat alleen over dit soort primaire klanken beschikt in staat zijn om een
dergelijk gedicht te fabriceren? En gesteld dat het dat kon, zou het zich dan
tot deze klanken, die de kindtijd zozeer benadrukken, willen beperken? Zou het
niet liever de andere kant op willen, en is niet juist het vermogen om betekenis
aan klanken te verlenen het meest overtuigende toegangsbewijs tot de
volwassenheid? Het begint erop te lijken dat hier veeleer sprake is van een
volwassene die zich van de taal van het kind bedient.
Daarin is
hij bepaald niet de enige geweest: in het buitenland was het al het kenmerk van
de Dada-beweging, een groep kunstenaars die hun identificatie met de wereld van
het kind expliciet in hun naam tot uitdrukking brachten. Hanlo verwerkte het
woord ‘dada’ trouwens ook in zijn gedicht, bij wijze van springplank naar
‘Dembrandt’, daarmee suggererend dat de afstand tussen die twee niet al te groot
zou zijn.
Voor het
vermoeden dat de spreker in het gedicht geen kind, maar een volwasssene is,
levert het gedicht trouwens ook een concrete aanwijzing. De dichter heeft zijn gedicht hier en daar
namelijk voorzien van een sjibbolet, een herkenningswoord voor de volwassenen
onder ons: het woordje ‘etc.’ Natuurlijk zou het gedicht ook als een
transcriptie van een geluidsopname (een microfoon boven de wieg) kunnen worden
opgevat, waarmee het ‘etc.’ alleen een ruimtebesparende functie zou dienen. Maar
dan had het ge-oe ook na de eerste regel wel afgebroken kunnen worden. Bovendien
weten we van de geluidsopname die van Hanlo’s eigen voordracht werd gemaakt dat
hij het ‘etc.’ ook daadwerkelijk als ‘et cetera’ uitsprak. Dat betekent dat niet
het ‘etc.’ een Fremdkörper is, maar dat alle klanken eromheen dat zijn.
Maar de taal van ‘Oote’ vertoont niet alleen
overeenkomsten met de taal van het kind. Want hoe speels de indruk ook is die
het gedicht maakt, ‘Oote’ is tegelijkertijd en in niet mindere mate het
resultaat van het strengste, radicaalste denken. Al het overbodige is immers uit
het gedicht verwijderd, of wordt alleen nog aangegeven door alweer die afkorting
‘etc.’, een term met een in dit opzicht steeds programmatischer klinkende
intentie. En zoals de modernistische traditie van de vorige eeuw alle
ornamentiek overboord gooide en zich uitsluitend om functie bekommerde, zo zien
we dat ook ‘Oote’ alleen uit de essentie bestaat: uit klank, vorm en
ritme.
Bijzonder is het natuurlijk wel, dat een en hetzelfde
idioom in staat is om twee ver uiteengelegen gebieden – het speelse en het
strenge – in zich te verenigen. Het kind heeft de betekenishorizon die achter de
klanken ligt nog niet veroverd, terwijl de schrijver van ‘Oote’ er niets meer te
zoeken schijnt te hebben. Wat hebben de betekenissen die aan klanken worden
toegekend hem ook ooit opgeleverd? Ze hebben er alleen maar voor gezorgd dat hij
kon worden aangesproken door een maatschappij die op haar beurt aan zijn
individuele klanken geen boodschap had, en voor wie taal alleen een middel was
om zich toegang tot hem te verschaffen, zodat hij beschikbaar zou zijn voor die
maatschappij.
‘Oote’ is de geslaagde poging om dezelfde truc uit te
halen, maar dan omgekeerd. De brug die deze taalcreatie tussen subject en
gemeenschap slaat, kan ditmaal alleen in tegengestelde richting worden
bewandeld: van de dichter uit naar de maatschappij. De dichter heeft als het
ware het bordje ‘verboden toegang’ op de grens tussen die twee gebieden
omgedraaid. Door de zeggenschap over zijn klanken te behouden, is hij erin
geslaagd de integriteit van zijn eigen denken te bewaren en zijn prijsgegeven
identiteit terug te vorderen. Vandaar dat dit soort poëzie ook vaak een
agressieve indruk maakt. Het is een indruk die nog ongemakkelijker wordt wanneer
ze zich als haar eigen tegendeel aan ons voordoet, zoals in een ander
legendarisch gedicht (uit 1954) van Hanlo:
DE MUS
Tjielp tjielp – tjielp tjielp
tjielp
tjielp tjielp tjielp - tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp tjielp
tjielp tjielp
tjielp tjielp tjielp
Tjielp
etc.
Dit is non-communicatieve taal, poëzie als daad
van pure expressie, waarvan het agressieve, bijna autistische karakter (boe!)
ondanks de geestige, zelfs lieve buitenkant niet kan worden miskend.
Maar
is de privétaal die voor de afscherming van het individu is vereist wel
mogelijk? De Vlaamse literator Adriaan de Roover (zie MoZ 170) bewees van niet.
Uit het vierhonderd jaar eerder geschreven ‘Pantagruel’ van François Rabelais
diepte hij onderstaand fragment op, waarin een van de personages op de volgende
wijze uitdrukking geeft aan zijn zeeziekte:
Bou, bou, bou, bou!
Otto,
to, to, to, ti, bou
bou, bou, bou, ou, ou
ou, bou, bou,
bous
bous
bous, bous, bous, bous
paich, hu, hu, hu, ha, hu
ah!
ah! ah!
Be,
be, bous, bous, bobous
ho, ho ho ho ho
Een beschuldiging van plagiaat zou hier
volslagen misplaatst zijn. Veeleer toont dit voorbeeld aan dat niemand zijn
eigen gedachten kiest: gebruik van taal houdt die erkenning in. Poëzie noch
taalgebruiker zijn autonoom; beide liggen verankerd in de gemeenschap, in de
taal, hoezeer die gemeenschap ook vijandig kan zijn aan de individuele expressie
van haar leden. Maar Hanlo wijst erop dat aan het ‘in den beginne was het woord’
een stadium voorafgaat: het spelen met klanken, het vormen van woorden, om daar
datgene mee te zeggen wat gezegd moet worden, de ultieme waarheid: Oote oote
boe!
Rutger H. Cornets de
Groot
cornets@xs4all.nl
http://www.xs4all.nl/~cornets
Luister naar Rutger H. Cornets de Groots voordracht van
'Oote' op
http://www.klassiekegedichten.net/ra/hanlo.ram
___________________________________________________________
COLOFON
De
Klassiekers staan onder redactie van Joop Leibbrand
jl@meander.italics.net
en
Elly Woltjes
ew@meander.italics.net
EERDER
VERSCHENEN:
01
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
02 J. P. Rawie - Interieur
03 Jan Kal - Mont Ventoux
04 Jan Emmens - Voor de kade
05 M. Vasalis - Streng en
aanbiddend…
06 Simon
Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
07 Gerrit Achterberg -
Dryade
08 Gerard Reve -
Wiegelied
09 Paul van
Ostaijen - Melopee
10 Hanny
Michaelis - Het kind
11 J.
C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij
waren
15 P. C. Boutens - De
maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden
mijner jaren"
17 H. Roland
Holst – De zachte krachten…
18 W. Elsschot – Bij het doodsbed van een kind
19
J. H. Leopold – Staren door het raam
** John Irons – The poetry of P. C.
Boutens (Klassiekers extra)
20 Han G. Hoekstra – De ceder
21 Paul Rodenko
– Het beeld
22 Anna Blaman – De spin
23 Martinus Nijhoff – Moeder
24
Martinus Nijhoff – Impasse
25 Rutger Kopland – Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland – Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent -
Tuinpad
___________________________________________________________
*
Abonneren?
Zend een e-mail
aan majordomo@meander.italics.net
met als inhoud:
subscribe
klassiekers
*
Abonnement opzeggen?
Zend vanaf het adres
waarop u de klassiekers ontvangt een e-mail aan
majordomo@meander.italics.net en zet daarin: unsubscribe
klassiekers
*
Adres wijzigen?
1. Zeg uw abonnement
op vanaf uw oude adres
2. Neem een abonnement vanaf uw nieuwe
adres
___________________________________________________________
Verdere
verspreiding van deze aflevering van de Klassiekers is alleen
toegestaan
met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de
auteur.