De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er meer dan 1800 abonnees.
Liggen in de zon
Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.
Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt
Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
er
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.
Hans Andreus (1926-1977)
Uit: Verzamelde gedichten, ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim
de Vroomen, Bert Bakker, Amsterdam, 6e dr. 2001
De Nederlandse poëzie kent een aantal dichters die op zorgeloze wijze met de taal kunnen omgaan. Ze
hebben een uitermate goed ontwikkeld gevoel voor woordklank, ritme en spraak waardoor de meest
simpele zinnetjes door hen omgetoverd worden tot ware poëzie. Herman Gorter was zo'n dichter. Hans
Andreus was er ook een. Ten onrechte werd hij ooit de Vijftigers gerekend. Wie naar zijn oeuvre
kijkt en bijvoorbeeld zijn
Sonnetten van de kleine waanzin ter hand neemt (1957), ziet dat
zijn werk veel toegankelijker is dan het werk van de Vijftigers. Er schuilt een aan verlichting
grenzend gevoel van humanisme in deze gedichten. Dit staat in groot contrast tot het werk van het
merendeel van de Vijftigers, dat eerder nihilistisch en taalgericht is. Maar goed, zo zijn er
meer Vijftigers die er op de keper beschouwd niet bij zouden moeten horen. Sla eens
Het
innerlijk behang (1949) van Hans Lodeizen open. Hoe hebben de Vijftigers in hem ooit hun
voorloper kunnen zien?
'Liggen in de zon' is afkomstig uit
Muziek voor kijkdieren, de bundel waarmee Andreus
(eigenlijk Johan Wilhelm van der Zant) in 1951 in de door Ad den Besten geredigeerde Windroosserie
(dl. 12) van uitgeversmaatschappij Holland debuteerde. Jan van der Vegt vertelt in zijn biografie
van Andreus (de Prom, Baarn 1995) dat de dichter tijdens de samenstelling van de bundel veel
andere titels overwoog, maar achtereenvolgens
Partituur,
Het vrolijke einde,
Weer
of geen weer,
Muziek van brekend glas en
Het leven der letters verwierp.
Het lukt niet vaak om in het Nederlands een gedicht te schrijven, dat niet vol staat met woorden
waar iedere spreker met zijn tong over struikelt. Maar Andreus weet de Germaanse valkuilen van
het Nederlands handig te omzeilen. Hij doet dit enerzijds door simpele, haast kinderlijke zinnen
te gebruiken en die te herhalen en anderzijds door veel 'lichte' klanken te gebruiken: de 'i' en
de 'a'. Zware klanken als bijvoorbeeld de 'oe' of de 'ui', klanken die dus veel vragen van de mond
en het strottenhoofd, worden gemeden. En tot slot hanteert hij de assonantie en een regelmatig
terugkerend eindrijm om de tekst wat lichter en muzikaler te maken. Hierdoor wordt iedere notie
van zwaarte, en wellicht ook van betekenis, zoveel mogelijk aan het gedicht onttrokken. Wat
overblijft is een luchtig samengesteld tapijt van woorden.
Al vanaf het begin springt één woord mij in het oog en dat is het woord 'pizzicato', een woord dat
niet Germaans maar Romaans is en veel meer in de mond tot recht komt. Pizzicato is een manier van
bespelen van snaarinstrumenten, met name van de cello. In plaats van de strijkstok worden de
snaren met de vingers geplukt. De pizzicato speelwijze brengt bijvoorbeeld in de jazz een wat
luie, meer langgerekte klank voort. De ideale metgezel voor een lome zomerse dag rondhangen.
Gaan wij per strofe door het gedicht, dan valt op dat de eerste strofe erg zintuiglijk gericht is.
De spreker 'hoort het zonlicht' want 'de warmte spreekt tegen zijn gezicht'. In de derde regel
komt uitermate goed de nutteloze loomheid tot uiting met een Hollandse 'dat gaat zo maar niet',
gevolgd door de realiteit met 'dat gaat zo' waarna, het lijkt wel uit pure loomheid, de zin, en
daarmee ook het verbod, onvoltooid blijft. Natuurlijk gaat het wel, lijkt deze regel haast
moederlijk te zeggen, kijk maar naar het zonlicht. Alles komt goed. De laatste regelt eindigt met
het neologisme 'monodwaas', dat door de variatie op de herhaling met 'weer monomaan' extra nadruk
krijgt. Monodwaas lijkt de gemoedsgesteldheid van de spreker exact weer te geven: dwaas in zijn
eentje, luisterend naar het zonlicht dat pizzicato tot hem spreekt.
En hoe is de spreker er nu onder? Hij verzandt niet in zijn loomheid, noch vergaapt hij zich aan
het lied van het zonlicht. De spreker treedt daarentegen actief op. Hij begint te zingen, 'in mijn
huid'. Hij is duidelijk op zichzelf op zijn plaats en op zijn gemak. En hij weet dat er geen
woorden bestaan voor zijn gemoedstoestand. Daarom begint hij te zingen, en daarom typeert hij
zichzelf, opnieuw, als: 'dwaas zo dwaas'. Maar hij wil zich niet afkeren van zijn omgeving. Hij
wil niet de geniale gek spelen. Hij wil niet buiten de mensen en de dingen staan, maar er
onderdeel van uitmaken. En juist als onderdeel brengt hij zijn gezang met zich mee.
Het fraaie, en eveneens het moeilijke, van dit gedicht is dat het een gemoedstoestand beschrijft
waar geen eenduidig woord voor is. Hij noemt zichzelf 'dwaas', maar dwaas is geen omschrijving
doch een waardeoordeel. En hij gebruikt het hier welbewust om zichzelf onkwetsbaar te maken voor
het waardeoordeel van de mensen en de dingen. Het is een klassiek procédé dat ook de nar hanteert.
Een nar kan uitdrukken wat hij wil, omdat men hem niet verantwoordelijk kan houden voor zijn
daden. Voor de mensenmaatschappij is hij ontoerekeningsvatbaar, en daaruit bestaat zijn vrijheid.
Dezelfde vrijheidsdrang is ook terug te vinden in Andreus' gedicht 'Voor een dag van morgen'.
Ook hierin plaatst hij zichzelf en zijn gevoelens bewust buiten de wereld van de mensen.
De laatste strofe sluit het geheel af. Deze begint plagerig met 'duidelijk zeer zuidelijk',
waarbij het onduidelijk is wat er met zuidelijk bedoeld wordt. Slaat het op de woonplaats van
Andreus, duidt het op een Mediterraans, of op nog zuidelijker ideaal? En waarom die treiterende
herhaling, waardoor 'zuidelijk' extra nadruk heeft gekregen? Ik zou er een mooie hypothese aan
kunnen hangen dat Andreus met dit woord het verstand van de lezer, en daarmee van de
mensenmaatschappij, opzettelijk wil verwarren. Het zou kunnen, maar het lijkt mij te vergezocht.
De rest van de strofe lijkt zich te ontrollen als een ware ascese. De spreker begint met het
ontkennen van het weten. Wederom steekt de dwaas hier de kop. Kan de dwaas - juist door te laten
zien dat hij dingen niet weet - niet tot ware, onbevooroordeelde uitspraken kan komen? Weten is
voor de spreker geen noodzaak meer. En ook het zingen is gestopt. Hij ligt alleen nog maar stil.
Wellicht in meditatie. Het enige wat voor hem nog waarde heeft, is het licht. Het is bijna alsof
hij zichzelf erin verliest.
Maar dit licht heeft behalve dat het spreekt nog een tweede connotatie gekregen, die van 'wonder'.
En niet louter een wonder zoals dat door de kerk erkend wordt, maar een wonder boven wonder. Dit
is zowel een verwijzing naar een dwaas kinderliedje over beren, als een haast bovengoddelijke
omschrijving.
Het knappe van dit gedicht is dat het afsluit met een statement dat door het voorafgaande van alle
overtollige ballast ontdaan is: 'ik weet alleen maar alles wat ik weten wil'. De pretentie van
deze uitspraak is ongehoord. En toch doet Andreus, haast tussen neus en lippen door, in dit
lichte, zomerse, haast schijnende gedicht, deze loodzware, existentiële uitspraak waarmee hij
ondubbelzinnig zijn positie verankert. Ik ben een dwaas die geniet van het wonderbaarlijke licht,
en wat de rest ervan vindt, zal mij een zorg zijn.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html
* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres
Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële
ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt
naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).