15 november 2006
Paul Marijnis -
Bij een boeket
Een bespreking door
Edith de Gilde
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander
en Meander Magazine.
De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er meer dan 1850 abonnees.
Vooraf
In de vorige aflevering besprak Joris Lenstra 'Liggen in de zon' van Hans Andreus.
Joos Olejniczak merkt naar aanleiding van de interpretatie van de derde strofe (Lig dwaas zo
dwaas niet buiten mensen dingen) op:
'Lenstra leest dit als dwaas zo dwaas / niet buiten mensen dingen. Dit laatste betekent
volgens hem dan: "hij wil niet buiten de mensen en de dingen staan." In de volgende alinea spreekt
Lenstra echter van "zich onkwetsbaar maken voor het waardeoordeel van de mensen en de dingen" en
verwijst hij naar een ander gedicht van Andreus waarin die zichzelf zichzelf en zijn gevoelens bewust buiten de wereld van de mensen plaatst. Dus juist wél buiten mensen en dingen.
Ik wil op een andere mogelijkheid wijzen om de betreffende regel te lezen: dwaas zo dwaas
niet / buiten mensen dingen. Dan staat er wat je binnen de samenhang (zowel van het gedicht
als van de bespreking) verwacht; en dat is dan, zegt de dichter zo dwaas niet.'
Cellist Roelof Jan Veltkamp zet kritische kanttekeningen bij de door Lenstra gegeven duiding van
pizzicato:
'Ik merk op dat dit juist een zeer wakker, helder effect veroorzaakt; na de aanslag, waarbij je
de vinger precies op het juiste moment moet loslaten, kun je aan je toon al hoegenaamd niets
meer doen. Het moet dus - en dat in tegenstelling tot het strijken - in één keer raak zijn. Ook in
de taal zie ik juist het pittige, tokkelende, met al die extra t's en andere explosieven bij het
woord pizzicato (uiteraard op zijn Italiaans uitgesproken). Dat alles steunt in mijn ogen niet
het lome, luie rondhangen, maar het heldere, niets ontziende licht dat bijna in de ogen spat en
dat dus prikkelt: dat gaat zomaar niet - je moet je ogen dicht doen, de melodie horen en
er zelf over gaan zingen; zuidelijk staat hier duidelijk voor een oproep om actief te zijn,
in de overigens als heerlijk loom en ontspannen ervaren warme en lichte atmosfeer.'
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
Het volgende nummer verschijnt op 13 december 2006 en dan gaat Inge Boulonois in op
Naar Psalm 1 van Lloyd Haft.
Bij een boeket
Ik stuur je dit boeket van grijze rozen
(stijlbloempjes die veel langer staan dan echte):
stelen van ijzerdraad in groensajetten kousen,
kroonblaadjes van misschien crêpe de Chine,
zilverdraad en geel fluweel voor harten
die meer verduren kunnen dan het mijne.
Zet ze lukraak in lege waterglazen,
draag ze bij paars met ambergele kralen
en als je in de juiste stemming bent,
probeer dan een paar dauwdruppels te huilen.
Brengt zoveel kunst geen ware tranen boven?
Hun blikken doornen doen de vingers snikken
tot naar behoren op mijn werkstuk is geplengd.
Kunst als bedrog eist list - o grijze ogen
die, zelf zo vaak bedriegers, het bedrog
ontwend zijn en niet zien, wat ik hier heb herkend
in grijze rozen, kuis en decadent.
Paul Marijnis (1948)
Uit: Gillette, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen,1998
Nadat Paul Marijnis in 1993 zijn eerste roman
De zeemeermin had gepubliceerd, vertrouwde
hij Pauline Bax toe dat hij '[eigenlijk], heel vroeger, […] dichter [had] willen worden' (
HP/De
Tijd, 6 augustus 1993). Om, aldus dezelfde bron, 'het voorbeeld te volgen van Van Ostaijen,
Slauerhoff en Lucebert, hevig door hem bewonderde poëten.'
Vijf jaar later bracht hij
Gillette uit. De bundel werd genomineerd voor de
C. Buddingh'-prijs; Marijnis' tweede bundel,
Roze zoenen uit 2002 kreeg de J.C. Bloemprijs.
In juni van dit jaar verscheen weer een roman,
De loden schoentjes.
In de gedichten in
Gillette is van invloeden van Van Ostayen, Slauerhoff of Lucebert niet
veel terug te vinden. Wel is er, zeker in het gedicht hierboven, een echo te horen van een andere
door Marijnis bewonderde dichter. Christiaan Weyts, intussen met zijn romandebuut zelf winnaar van
de Anton Wachterprijs, vertelt in het Leidse universitaire weekblad
Mare, 8 mei 2003: 'Het
eerste dat hij deed toen hij in de jaren zestig Nederlands kwam studeren in Leiden, was een bos
witte chrysanten afleveren bij Hogewoerd 63. "De vrouw die opendeed was stomverbaasd. Ik vroeg of
ze die bloemen in een vaas voor het raam wilde zetten, als hommage aan de dichter Piet Paaltjens,
die daar gewoond had. Achteraf gezien is het een aanstellerig gebaar, maar het is beter dan
niks."'
Hoewel er een belangrijk verschil is - daarover later meer - hebben de tranen in 'Bij een boeket'
wel enige verwantschap met die gestort in Paaltjens' 'Immortelle XXV':
Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turkse trom,
Dan moet ik zo bitter wenen;
En -- ik weet zelf niet waarom.
Vraagt een der werkende lieden:
'Hoe kan een Turkse trom
Of een waldhoorn u zo roeren?'--
Dan weet ik zelf niet waarom.
Is 't wijl in beetre dagen
Een vriend de Turkse trom
Niet onverdienstlijk bespeelde? --
Ach, ik weet zelf niet waarom.
De gedichten komen elkaar tegen in hun zorgvuldig in ironie verstopte melancholie.
'Bij een boeket' zou in meer opzichten uit een veel oudere bundel afkomstig kunnen zijn. De grijze
rozen zouden zo van oma's zolder kunnen komen. Ze zijn niet gemaakt van plastic of andere
kunststoffen, nee: ijzerdraad, sajetten kousen, crêpe de Chine, zilverdraad, fluweel en blik zijn
eraan te pas gekomen. Niet door de natuur, maar wel uit de natuur zijn deze rozen ontstaan.
Het gedicht kent, net als dat van Paaltjens, een zorgvuldige opbouw. Het is een begeleidend
schrijven bij het geschenk van de kunstrozen die tegelijk het gedicht zelf zijn. In de eerste
strofe beschrijft een ik die hier ook de dichter is de rozen. In de tweede krijgt een met 'je'
aangesproken ander (ontvangster, lezer) een drietal instructies wat ermee te doen. De eerste wordt
schijnbaar onverschillig gebracht, de tweede is juist specifiek en esthetisch van aard, de derde,
die geen handeling, maar gedrag teweeg wil brengen, verraadt onzekerheid. In de laatste strofe
filosofeert de dichter over de ware aard van de rozen, de kunst, het gedicht - en de ander.
Rijm is er op verschillende goed gedoseerde manieren: eindrijm in de laatste twee regels,
binnenrijm in de vierde, twaalfde en zestiende regel. Door het hele gedicht heen is zonder dat
het opdringerig wordt met assonantie en alliteratie gestrooid. Het is grotendeels geschreven in
vijfvoetige jamben die geen keurslijf vormen.
Spel met betekenissen is er in 'stijlbloempjes', 'harten', 'dauwdruppels huilen', 'kunst',
'blikken doornen' en de snikkende (bloedende) vingers die zich aan de doornen van het gedicht
hebben geprikt.
De open ogen waarmee de ontvangster/lezer in de kunstig uitgezette val van de dichter loopt, zijn
grijs als de rozen en dat is natuurlijk geen toeval. Of is het geen toeval dat de rozen grijs zijn
als de ogen?
De lijdend-voorwerpszin waarmee het gedicht eindigt (wat … decadent) is grammaticaal dubbelzinnig:
'kuis en decadent' kunnen daarin zowel eigenschappen van de grijze rozen als van de 'ik' zijn.
Marijnis houdt zich in dit gedicht aan zijn eigen poëtische credo: 'Poëzie is ongevoelig. Poëzie
handelt in klanken, pauzes, ritmes, zoveel mogelijk betekenissen binnen de betekenissen. En het
moet concreet zijn. Over God kun je alles schrijven. Maar een appel, ja, die ligt daar. Beschrijf
hem maar eens.' (Weyts, ibidem)
Marijnis' voorkeur voor het concrete is zijn uitgever niet ontgaan. In de flaptekst wordt gewezen
op het verband met een nog oudere periode dan die van de negentiende-eeuwer Paaltjens: 'In deze
bundel bedrijft Paul Marijnis een vorm van emblematische kunst. Het grote verschil met klassieke
emblematabundels als van P.C. Hooft of Roemer Visscher, waarin een opschrift, een prent en een
moralistisch onderschrift samen een embleem vormen, is dat bij Marijnis de prent en een expliciete
moraal ontbreken. Het beeld is het gedicht zelf. (…)'
Nu bestond er ook in de zeventiende eeuw al een variant op het embleem waarbij het woord de
functie van de prent overnam. De digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren geeft een
voorbeeld van zo'n woordemblema. Het is van de hand van Jan Claesz. Schaep. In de eerste tien
regels wordt de 'prent' getekend, daarna volgt het 'onderschrift':
Wanneer men op een spijker slaet,
Die boven op een houtje staat,
De spijker sachjes inne glijt,
Soo lang men recht op 't hoofje smijt;
Maer geeft men eens een slimme klop,
En juyst niet recht daer boven op,
Soo word hy datelijk soo krom
Dat hy seer qualik wil weer om;
Hoe dat men slaet daer blijft een bocht,
't Welk ik wel somtijds heb besocht.
Soo even dunkt my dat 'et gaet,
Wanneer men heeft een vriendt of maet:
Hy blijft (soo 't schijnt) soo lang een vriendt,
Als men in all's hem willig dient,
Soo lang als men hem vriendtschap doet,
En dat hem niet als goedt ontmoet.
Maar geeft men eens een slimme slach,
(Het zy dan hoe het komen mach)
En dat men juyst de Spijker niet
Smyt recht op 't hooft, soo 't wel geschiet,
En doen niet altijd dat hem lust,
Soo wordt de vriendtschap uitgeblust,
Ja, hy wordt daerom soo ontstelt,
(Schoon dat men hem seer weynig quelt)
Dat hy (hoe dat men smeekt en vleyt)
Weer qualik komt tot vriend'likheyt,
Daer blijft in hem (hoe dat men praet)
Een wrok, en 't worteltje van 't quaedt.
Uit: Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw in duizend en enige
gedichten, 1986, p. 589-590
Schaep vergelijkt een krom geslagen spijker met een niet al te grote misstap die tot het verbreken
van een vriendschap leidt. 'Mensen dulden weinig van elkaar' is de gedachte die aan het concrete
beeld van de spijker wordt opgehangen. Als er een morele opvatting achter zit (mensen moeten
elkaar beter verdragen en meer vergeven) dan wordt die niet expliciet verwoord. Wat is er bij
Marijnis anders?
Het gedicht is persoonlijker dan dat van de zeventiende-eeuwer en gecompliceerder dan dat uit de
negentiende eeuw. Nogmaals de flaptekst van
Gillette: '(…) De gedichten werken als
definities van de beschreven objecten. Maar tussen de regels door zijn het - voor wie heel precies
wil kijken - ook verslagen van gemoedstoestanden en minieme portretjes van de dichter.'
Inderdaad laat de dichter zich in 'Bij een boeket' zien. Hij is aanwezig in zijn kunstig, maar
ook kunstmatig gemaakte werk en beoogt daarmee de bedriegster, op zoveel dubbelzinnigheid niet
verdacht, te bedriegen Met zijn uit klanken, pauzes, ritmes en (dubbele) betekenissen opgebouwde
werkstuk wil hij de lezer tot tranen toe bewegen. Anders dan bij Paaltjens is het niet de dichter
die weent om een verloren vriendschap; aan het eind van de twintigste eeuw laat de dichter het
snikken over aan zijn lezer. Een plengoffer in tranen is het doel, niet aan de vriendschap maar
aan het bedrog dat kunst heet. Van een afstand, zijn doortrapte gedrag beseffend, laat de dichter
de kuise, decadente rozen waarmee hij samenvalt hun werk doen. Of het lukt? De tweede strofe laat
zien dat de dichter er niet helemaal gerust op is. Ook daarin laat hij zich kennen.
Paul Marijnis doet zijn voorgangers uit voorbije eeuwen eer aan. Hij is zich bewust van de
schouders waarop hij staat, maar zet in dit gedicht de bewonderde voorbeelden kundig en kunstig
naar zijn hand.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html
* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres
Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële
ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt
naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).