De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er meer dan 1900 abonnees.
Het psalmboek, een lyrische reflectie op het eerste, Oude Testament, is ongetwijfeld de meest
gelezen poëzie aller tijden. De naam komt van
psalmos, de Griekse vertaling van het
Hebreeuwse 'mizmor': een lied dat onder begeleiding van snaarinstrumenten werd gezongen, ook
wel 'harpzang' genoemd. Dichters als Vondel, Hooft, Revius, Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde,
Gabriël Smit en Leo Vroman ver- en hertaalden deze teksten of lieten zich erdoor inspireren. In
1995 bracht het literair tijdschrift
Parmentier de speciale uitgave
Nieuwe Psalmen
uit waaraan ruim veertig contemporaine dichters meewerkten, waaronder Lloyd Haft. Niemand minder
dan Kees Fens schreef de inleiding. Hij sloot die krachtig af met:
'De psalmen maken klein. Ook
door hun literaire grootheid. Wie die niet ziet of die honderdvijftig gedichten in de
postchristelijke leegte wenst te gooien, zou misschien een literaire vervloeking verdienen. En dat
tot in het derde geslacht!'
De psalmbewerkingen van Lloyd Lewis Haft werden in 2004 bekroond met de Ida Gerhardt Poëzie Prijs.
Haft - van huis uit sinoloog - dicht, vertaalt poëzie en schrijft over Chinese letterkunde. Tot
2004 werkte hij als universitair docent bij de Opleiding Talen en Culturen van China aan de
Universiteit Leiden. Nu vut hij. Voor de bundel
Atlantis (Querido, Amsterdam 1993) ontving
hij de Jan Campertprijs 1994; elf jaar later kreeg hij voor het tweetalige
Formosa
(Querido, Amsterdam 2005) de Publieksprijs voor de beste poëziebundel.
Verdere bibliografische informatie is te vinden op de site van de
dbnl.
'Naar Psalm 1' staat grotendeels in de vraagvorm waarbij vaak de ontkenning is gebruikt.
Bij een terugblik op z'n leven vraagt het lyrisch subject zich af of het hem beter was gegaan als
hij van Gods bestaan niet had afgeweten. Was hij niet beter af geweest als een breinloze boom met
wortels in water gedrenkt in plaats van in hoop? De twee retorische wie-vragen suggereren dat
niemand zulke vragen kan beantwoorden. Niet de ikfiguur heeft alle luister bedacht: alles om hem
heen
ís, ook zonder dat hij denkt. Het beklemtoonde woord 'ís' wordt in de slotzin
herhaald:
Uw naam: wind tussen de bladeren/die ís om mij begonnen. Deze zin zweemt naar
een lofprijzing; bewondering en ontzag klinken erin door.
De eerste vijf regels hebben als metrum de dactylus. Het aantal versvoeten per regel varieert
maar regel 1 en 3 resp. 2 en 4 vormen metrisch elkaars evenbeeld. In regel 6 gaat de dactylus in
de trochee over, wat aansluit bij de overgang naar de metafoor van de boom. Vanaf de tiende regel
wordt het metrum onregelmatig. Verschillende soorten rijm passeren ons oog: middenrijm en
(mannelijk) eindrijm, alliteratie, assonantie en zgn. synoniem parallellisme ('als ik
niet had
gedacht / niet had verwacht'). Parallellisme wordt ook Hebreeuws rijm genoemd, omdat deze
stijlfiguur een der opvallendste karakteristieken is van de originele psalmen. De herhaling van
'wie' en van 'uw' in de laatste zes regels vormt de opmaat tot de concluderende slotzinnen.
Evenals in de andere psalmen in Hafts bundel en overeenkomstig de originele Hebreeuwse tekst, is
hier geen witregel te zien.
De metafoor van de boom ontleende Haft aan de bijbelse psalm. In christelijke iconografie
symboliseert de boom het door God gewilde, standvastige leven; de jaarlijkse cyclus refereert aan
leven, dood en verrijzenis. Een boom wortelt in aarde, wortels hebben contact met verborgen,
levenschenkend water en verwijzen naar diepgang. Grondwater wordt ook wel gezien als Gods wet.
Door hun aardse wortels kunnen boomtakken naar de hemel reiken. En hier moet ik aan Hans Andreus
denken die dat tweedimensionale op onvergetelijke wijze beschreef in zijn gedicht
'Boombeschrijving':
Naar een boom / ziende zie ik / hemel en aarde in elkanders / armen. //
Want een boom, / een boom is een bruiloft.
In Psalm 1 staat de wind voor de onnaspeurbare wegen van de Eeuwige; wind kan naar zowel de
Heilige Geest als menselijke nietigheid en leegte verwijzen.
In 'Naar Psalm 1' komt de dichter tegelijk over als
homo credens én
homo cogitans,
als een gelovig en een denkend mens. De vragen die hij stelt zijn te groot voor het menselijke
brein: niemand kent immers de 'grond'. Dit pregnante woord wijst letterlijk naar de specifieke
plaats waar een boom staat en ook naar de hele aardbodem. Figuurlijk naar 'fundament', wat
erachter of eronder ligt.
De laatste vier regels van het gedicht vragen nadere bestudering.
Niet ik bedenk de boom /
die om mij ís: uw loof, uw luister. / Uw naam: wind tussen de bladeren / die ís om mij begonnen.
' Deze regels laten zien dat het denken vrucht draagt: door bewustwording van de beperkingen
van de cognitie krijgt het geloof een kans.
Het beklemtoonde en herhaalde 'ís' verwijst naar het luistervolle zijnde, naar de heilige naam die
zich door de wind laat horen als bladgeruis, de goddelijke
Ik ben. Het 'ís' in deze regels
contrasteert betekenisvol met het eerste woord in het gedicht -
Was - dat past bij het
efemere, menselijke denken.
Het woord 'om' is betekenisrijk. In deze context liggen twee betekenissen voor de hand. Ten eerste
de fysieke nabijheid van de boom, met zijn luister, de wind, en in laatste instantie Gods naam.
Daarnaast: ter wille van, om reden van. In de betekenis van 'nabijheid' roept het het bekende
gedicht 'De moerbeitoppen ruischten' van Nicolaas Beets op, waarin het bladgeruis fungeert daarin
als teken van Gods aanwezigheid:
"De moerbeitoppen ruischten;" / God ging voorbij; / Neen, niet
voorbij, hij toefde; / Hij wist wat ik behoefde, / En sprak tot mij;
Wind tussen bladeren die om mij - mij als letterlijke beweegreden dus - begonnen is, klinkt mij
wat vreemd in de oren. Het hele gedicht is wel in de ikvorm gegoten, maar is de wind alleen ter
wille van de ikfiguur begonnen? Benadrukt Lloyd Haft wellicht met 'om mij begonnen' dat het
tegelijk gemeenschapszang is? Staat deze 'ik' voor het volk van Israël en is zijn stem tegelijk
de stem van velen?
Deze vraag heb ik aan Lloyd Haft zelf voorgelegd. Hij antwoordde dat het niet om een gemeenschap
gaat maar om een individu, een individuele ziel. Het woord 'om' betekent hier zowel 'in de buurt
van' als 'ter wille van'. Hij wijst op de homofonie van 'loof' en 'loven', 'luister' en
'luisteren': '"loof" en "luister" kunnen in het vers gehoord worden als aansporingen van God, dus
als "loof!" en "luister"!' Haft voegt eraan toe: 'Het zwakke of "wegvallende" ritme van de laatste
woorden "om mij begonnen" doet ze voorkomen of functioneren als uitleg van dat geaccentueerde
"ís": jawel, die wind is wel degelijk "om mij" begonnen, voor mijn oren bedoeld'.
Tot zover de dichter zelf.
De bundel
De Psalmen wordt als bewerking gepresenteerd waarvoor zowel oude en recente als
Nederlands- en Engelstalige psalmen zijn bestudeerd. Een vergelijking ligt voor de hand. Ik koos
voor de interconfessionele Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap.
Psalm 1
Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in de wet van de
HEER
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.
Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.
Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf
dat verwaait in de wind.
Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
De
HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.
In deze openingspsalm, a.h.w. de inleiding van het psalter, wordt ons de juiste levenshouding, de
'weg ten leven' voorgehouden. Een wijsheidspsalm: de psalmist vergelijkt de godvrezende en de
goddeloze mens met de bedoeling de lezer tot bezinning te manen. Jacob Cats zou het een leerdicht
genoemd hebben. Een doorwrocht vers is het, gestructureerd rond scherpe antithesen. De vrome vindt
vreugde in de wet van de Heer, hij draagt vrucht, wordt gelukkig en verdort niet want de Heer
beschermt zijn weg. In de grammaticale structuur van de een na laatste regel vormt 'de Heer' als
beschermer van de weg het onderwerp, in de laatste is dat 'de weg' van de wettelozen. De zondaar
schoolt samen met spottende soortgenoten, doet kwaad en wordt een speelbal van de wind; zijn weg
loopt dood. 'Zondaar' komt van het Hebreeuwse
hata: zondigen ofwel 'zijn doel missen'.
Uiteindelijk worden zij als kaf verstrooid terwijl de rechtvaardigen een kring vormen, symbool van
zowel eenheid als heelheid. Het beeld van het kaf is ontleend aan de dorsvloer: de goede korrels
vielen terug op de grond en het waardeloze kaf werd weggeblazen door de wind. De boom is hier
'geplant aan stromend water', dus op een vruchtbare plaats, hetgeen de liefdevolle zorg van God
illustreert. Het beeld van een boom aan stromend dus levend water roept reminiscenties op aan het
apocalyptische visioen van het hemels Jeruzalem (Op: 22,2).
De psalm klinkt ritmisch; er is geen vast metrum. Allerhande klankherhalingen dragen bij aan de
ritmiek: meegaat-kwaad, boom-stromend, water-draagt-bladeren, doet-bloei, verwaait-wind,
weg-wetteloos. Witregels en strofen voorzien de psalm formeel van poëtisch elan. Ook hier komt het
woord 'niet' frequent voor. De eerste strofe typeert de gelukkige want goede mens, de tweede
vergelijkt hem met de boom en de derde, beginnend met 'zo niet', beschrijft in slechts drie korte
zinnen de wettelozen. Veel woorden maakt de psalmist niet aan hen vuil. De vierde strofe vormt een
conclusie die bezwerend aandoet.
De laatste strofe bevat een intrigerende parallelle constructie: de eerste regel vormt een
antithese met de tweede en de derde weer met de vierde. In de werkwoorden in de eerste strofe -
van 'meegaan met' naar 'zitten bij' de zondaars - is een beweging van God af te vinden. Het
laatste woord van de psalm, 'dood', staat daar ongetwijfeld om unheimisch, als een laatste
waarschuwing, na te galmen.
In de bijbelse en de door Haft bewerkte psalm wordt vooruit respectievelijk terug gekeken op de
levensweg. Frappante verschillen betreffen spreekrichting en -toon. De hedendaagse psalm heeft de
vorm van een monologue interieur; de ikfiguur stelt zichzelf vragen. God wordt in de tweede
persoon gevousvoyeerd en 'u' heeft, net als in de Nieuwe Bijbelvertaling, geen hoofdletter. De
bijbelse psalmist geeft voor de wijsheid in pacht te hebben en spreekt met eerbiedige afstand over
God in de derde persoon als 'de HEER', in kapitalen. Lloyd Haft heeft het over hoop en beschouwt
de mens als onwetend m.b.t. kennis van God.
Uw naam: wind tussen de bladeren, een voelbare
kracht die zelf onzichtbaar is, onbegrijpelijk blijft en verwondering en ontzag inboezemt, dat
valt er over te zeggen.
Haft schreef mij niet in zo'n bijbels standpunt als 'wees braaf en je wordt gelukkig!' te geloven.
De psalmist doet stellige uitspraken. In zijn optiek is er slechts kaf en koren: God beschermt de
weg van de rechtvaardigen, die van de wettelozen loopt dood, een tegenstelling die hij met een
uitroepteken kracht bijzet:
Zo niet de wettelozen!
Hafts psalmbewerkingen pretenderen per se niet een hedendaagse 'vertaling' te zijn. We zien dan ook aardig wat verschillen tussen de twee
versies. Onmiskenbaar zijn beide product van de eigen tijdgeest. De bijbelse psalm heeft een
absolute toonzetting: paradijselijke toestanden zijn ondenkbaar zonder dat er recht wordt gedaan
op aarde. Gerechtigheid als
conditio sine qua non voor blijvende vrede en vreugde. 'Naar
Psalm 1' daarentegen verwoordt grosso modo de populaire visie op God als een onkenbaar wezen. Het
feit dat daarin niets gezegd wordt over rechtvaardigheid noch over slechtheid, sluit aan bij het
hedendaags vigerend relativisme.
Nog steeds zijn de duizenden jaren oude psalmen een bron van troost en bemoediging. Alleen de
zogenaamde wraakpsalmen zijn met enig dédain terzijde geschoven. Als dichtkunst bezitten psalmen
onmiskenbaar literaire grootheid. Als 'spiegel van de ziel' laten ze de diverse schakeringen in
gevoelens zien en verbinden ons particuliere vallen en opstaan met een groter historisch geheel.
Hafts 'Naar Psalm 1' blaast oude woorden nieuw leven in en zet zo aan tot denken over de grote
vragen. Zou het er echt niet toe doen hoe we leven? Wie kent de grond?
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket