De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er meer dan 1900 abonnees.
Zelden heb ik een gedicht gelezen dat zo veel gevoel uitdrukt, zonder dat je voor jezelf de
woorden kunt vinden om vast te leggen waar het de dichter eigenlijk om gaat. Alles is vaag
omlijnd; niet alleen in het begin van het gedicht, het blijft zo. De doelstelling van elke
lezer - hoe en waar krijg ik een beetje houvast, om te begrijpen of na te voelen waar het hier
over gaat - blijft deels onbereikbaar. Hoe komt dat? Is het een slecht gedicht? Lees ik
onnauwkeurig of slecht? Of is hier opzet in het spel? Vast staat wel dat het om een nogal triest
bericht gaat. Maar hoe kom je daar precies achter? Hoe verloopt zo'n zoektocht?
De vaagheid begint al met de titel: 'Een bericht'. Bericht waarover eigenlijk? Bericht aan wie?
Misschien geeft de titel van de bundel -
Vandaag in deze stad - een beetje hulp. Het is
alsof de 'ik' vanuit 'deze stad' iemand uit een ándere stad te hulp vraagt.
Of vaag trouwens het goede woord is, weet ik niet. En dat betekent weer voor mij dat het moeilijk
is om een beginpunt te vinden voor m'n onderzoek. Moet ik bij de vorm beginnen? Het gedicht is
niet vormvast: er is geen eindrijm, de strofen zijn ongelijk van lengte, de zinnen worden niet
ingedeeld per regel, het ritme wisselt vaak. Het lijkt soms wel gewoon proza waarvan de zinnen
willekeurig ergens zijn afgebroken. Kortom, de poëzievorm geeft niet veel houvast.
Als je een verbinding zou maken tussen de titel van het gedicht - 'Een bericht' - , de titel van
de bundel -
Vandaag in deze stad - en een paar woorden uit het gedicht zelf - 'lege
kamers', 'dozen', 'nieuwe kamers' -, dan kun je ervan uitgaan dat het om een verhuisbericht gaat.
De 'ik' is verhuisd van de ene stad naar 'deze stad'. Het nieuwe huis is nog ongezellig,
onordelijk: de spullen staan nog in de verhuisdozen over alle kamers verspreid. Dit nieuwe huis -
of is de 'ik' voor het eerst op kamers gaan wonen? - is nog geen thuis.
Thema
Het thema van het gedicht is, volgens mij, dat gevoel van ontreddering: wél verhuisd zijn, een
nieuwe toekomst tegemoet, maar tegelijk is de 'ik' ontmoedigd. Niet alleen moedeloos door de
onoverzichtelijke troep om zich heen, maar vooral van de innerlijke emotionele chaos. Hij ziet
het niet meer zitten, heeft nog geen greep op de
nieuwe omgeving. Maar wat moet hij met
die
innerlijke gevoelens beginnen.
Wanorde van buiten - ontreddering van binnen
Aan het begin zei ik al dat ik zelden een gedicht heb gelezen waarin zoveel onmacht blijkt om een
gevoel uit te drukken: eigenlijk kun je er geen woorden voor vinden. Toen ging het over mij, als
lezer. Maar wat ook al gauw opvalt, dat is dat de 'ik' in dit gedicht zich even onmachtig
voelt om die goede woorden te vinden. Vandaar dat hij nogal wat woorden kiest die zelf die
vaagheid veroorzaken.
De zoektocht van de lezer naar wat de dichter heeft willen zeggen, is bijna dezelfde zoektocht die
de 'ik' onderneemt naar waar die moedeloosheid en die teleurstelling vandaan komen. De methode om
dit gedicht te onderzoeken, lijkt me dan ook te moeten beginnen bij de onbestemde woordkeus van
de 'ik': uit die systematische schemerachtigheid moet af te leiden zijn waar het geheim verborgen
zit.
Taal en situatie
Je kunt je voorstellen dat de 'ik' - laat ik ervan uitgaan dat het een studente is, maar het kan
net zo goed een jongen zijn - is verhuisd met behulp van een paar vrienden. Die zijn na het
overbrengen van de spullen - nog steeds in dozen: dus heel onoverzichtelijk! - vertrokken. De 'ik'
zit verloren, helemaal alleen, in die nieuwe omgeving. Maar die omgeving 'is' er eigenlijk nog
niet. Die moet nog worden gemáákt: verhuisdozen leegmaken, kasten inruimen, meubels verschuiven,
een plaats zoeken voor de huishoudelijke én voor de persoonlijke spulletjes. Daar ziet ze tegen
op als tegen een berg. Moedeloos gaat ze op één van de dozen zitten. En kijkt een beetje wanhopig
om zich heen, naar de chaos. Dan begint een soort verslag - een 'bericht' - van haar ervaring en
van haar gevoel daarbij. De woorden die ze daarvoor kiest, passen in dié situatie en bij dát
gevoel.
Als de 'ik', misschien moe, zittend op een verhuisdoos of op een krukje, om zich heen kijkt, kan
ze alleen maar zeggen: 'Dit …'. Jij als lezer weet dan dat ze als het ware wijst naar de
wanordelijke troep waar ze midden in zit.
Een woord als 'Dit …' moet eigenlijk altijd slaan op iets waar de spreker het al eerder over heeft
gehad. Maar in dit gedicht is 'Dit … ' alleen maar te begrijpen als je het interpreteert in de
verhuissituatie die je je eerst moet voorstellen. De dichter valt dus met de deur in huis. Jij als
lezer krijgt alleen maar toegang tot het thema als je deze
taalkeus aan die
verhuissituatie verbindt. En die talige vaagheid ook weer verbindt aan het bijpassende
gevoel van wanhoop.
Er is nog zo'n wanordelijkheid - weer van taal én situatie - te vinden in regel 1. Daar staat
'inderdaad'. Wanneer gebruik je dat woord? Altijd is 'inderdaad' de
bevestiging van een
bewering die
tevoren is gedaan. Eerst moet er door de één iets gezegd zijn voordat een
ánder met 'inderdaad' kan reageren. Maar hier is dat niét het geval. Het is nog maar de eerste
regel; en er is ook maar één spreker. Wat moet je daar dan van denken? Vermoedelijk heeft de 'ik',
zittend op een krukje, alleen gelaten met al die dozen, met een zekere wanhoop bij zichzelf
eerst
gedacht: hier zie ik geen gat in. Dan zegt ze het ook nog
hardop, in dit
bericht: 'Inderdaad (dit is niet te verdragen)!'
Een opvallend gekozen woord, dat 'verdragen'. Het is iets anders dan 'geen gat zien in de rommel'.
Het betekent iets als: iets verschrikkelijk vinden, onder iets lijden, iets ergs verduren. Dat
verschrikkelijke blijkt ook uit 'verwijtend' (regel 2). Een woord dat des te opvallender is,
omdat 'kamers' überhaupt niet kunnen kijken, laat staan 'verwijtend' kijken. Het lijkt wel alsof
die 'lege kamers' worden voorgesteld als een vijand, of als iemand die de 'ik' niet gunstig gezind
is. Heeft die dan niet zelf voor die verhuizing gekozen?
Zou die 'ik' daarom dan maar gauw aan het werk gaan om tegemoet te komen aan dat verwijt? Zou ze
daarom dan maar een doos 'anders' neerzetten, en, nog steeds niet helemaal gerust, 'nog eens
anders'? De verwijten blijft ze kennelijk voelen. Want de 'ik gaat ontmoedigd dan maar 'vroeg
naar bed': vluchten in de slaap. Dat heen en weer zetten van dozen, heeft natuurlijk ook geen
zin om orde te scheppen in de chaos: die in de
kamer en die in haar
emoties.
Schrale troost
Dan wordt in regel 5 een 'iemand' geïntroduceerd. Weer zo'n vaag woord, dat heel in het algemeen
slaat op 'de een of andere persoon'. De 'ik' weet niet eens wie het was: 'ik weet niet wie'
(regel 5) staat er bijna terloops tussen. En die onbekende iemand zei tegen de 'ik' dat 'het'
(regel 5) hoorde. Dat 'het' wordt dadelijk nog twee keer herhaald: '(wanneer) het (weer voorbij
is)' en '(raakt) het (vergeten)' (regel 6).
Waar slaat dat vage 'het' op? Slaat het die drie keer op hetzelfde? Ik denk het wel. Volgens mij
waren die woorden 'het hoort zo' en 'het raakt zo weer vergeten' als
troost bedoeld voor
de 'ik'. Misschien was die 'iemand' wel een van de helpers (waarvan er in regel 8 één genoemd
wordt; weer met 'iemand'). Hij wilde misschien zeggen: 'Je voelt je nu erg beroerd, zo in de
rommel, en plotseling uit je vertrouwde kamer. Geloof me, dat 'hoort' (regel 5) bij een
verhuizing. Heus, het gaat over. Als je een paar dagen verder bent, weet je niet beter dan dat je
hiér thuis hoort. Die ellende is voorbijgaand, die vergeet je wel gauw weer' (regel 7).
Goed bedoelde troost. Maar tegen iemand in nood zeggen dat 'iedereen dat gevoel heeft', dat 'het
er bij hoort', betekent dat de ander toch niet snapt dat
jij je
nú beroerd voelt.
Die
algemene troostende woorden tonen aan dat de 'iemand' die
persoonlijke ellende
van de andere niet heeft gezien. Hij is alleen maar uitgegaan van z'n eigen ideeën over ellende.
Van zichzelf dus. Écht verdiept in wat de 'ik' doormaakt, heeft hij zich niet. Daarom weigert de
'ik' zich te laten troosten met die praatjes: 'Maar ik vergeet zo slecht' (regel 7), klinkt het.
In haar wanhoop denkt ze dat het nooit overgaat. Dat is een blijk van haar gevoel van diepe
ellende.
Échte hulp
Weer komt er 'iemand' (regel 8). Maar die 'troost' niet. Die 'helpt'! De eerste 'zei dat …' (regel
5). Hij laat het bij praten. Toen kwam de tweede; die zegt kennelijk niets, hij 'kwam helpen'.
Geen woorden, maar daden. En meteen verandert de toon. De dozen staan 'nú' op hun plaats. De
dichter weidt niet uit over de manier waarop; er is geen overleg tussen de 'ik' en de helper. Het
lijkt in een wip gebeurd. Dat is pas 'troosten'! De handen uit de mouwen voor een ander. Iemand
zei eens: 'God heeft geen andere handen dan ónze handen.'
Die zin is van Dorothee Sölle (1929-2003). Het idee dat ze uitdrukt, zal ook Jezus bedoeld hebben
(Mattheüs 25:42-46):
Ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, ik had dorst en jullie
gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij niet op, ik was naakt en
jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten mij niet. Dan
zullen ook zij antwoorden: Heer, wannéér hebben wij u dan hongerig gezien of dorstig, als
vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij toen niet voor u gezorgd? En hij
zal hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze onaanzienlijken niet
gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.
Hoe weet je, als lezer, dat dit wél heeft geholpen? Tegenover het 'anders' en 'nog eens anders'
(regel 2 en 3) staat nu: 'op hun plaats' (regel 9). Misschien ging de hulp zelfs zo ver dat
de 'iemand' alles heeft klaar gemaakt, en dat de 'ik' in die tijd '(uit)rustte'. Dat geeft de 'ik'
ook innerlijke rust. Er staat immers ook nog, met een plechtig woord: 'al heb ik niets volbracht'
(regel 9-10). Zelf hoefde ze niets te doen. Dat 'niets volbracht' betekent vast dat ze zelf tegen
het karwei heeft opgezien, maar dat het helemaal door een ander is 'volbracht'. Mooi, die bijna
plechtige woorden: 'uitrusten' en 'volbracht'.
Aan het eind pakt de dichter het begin weer op: 'Dit is inderdaad …'. Maar terwijl er in het begin
nog een ondraaglijke chaos heerste - in de 'ik' en buiten haar -, is er in regel 11 iets 'heel
anders' ontstaan. Want de 'lege kamers' zijn 'nieuwe kamers' geworden. Dat slaat natuurlijk op de
grote overgang van de onoverzichtelijke troep in die kamers naar de ordening van de 'iemand' uit
regel 8, die niet maar had
gepraat, maar vooral
gedaan! Het gevolg is dan dat het
leven van de 'ik' grondig verandert.
Een raadselachtige zin besluit het gedicht. Want wat betekent precies: 'Mijn leven draait zich
om'? 'Omdraaien' betekent, volgens het woordenboek, ook: 'in z'n tegendeel veranderen'. Alles is
veranderd dankzij de begripvolle en effectieve hulp: de dozen staan op 'hun' plaats, de plaats
waar ze moésten komen. Daardoor is alles 'heel anders': 'nieuwe kamers'. Daardoor is haar hele
'leven' totaal veranderd. Er klinkt nú geen wanhoop meer in deze balans door. In 'alle kamers'
(regel 12) leeft ze, helemaal 'anders' dan nog maar éven tevoren.
Wat is helpen?
Het is een betekenis die goed verstopt zit in dit gedicht. Eerst is het vooral ontreddering,
wanhoop, depressie. Maar al lezende en studerende, blijkt dat het steeds meer gaat om verdriet én
troost, over wanhoop én hoop, over chaos van buiten én orde van binnen. 'Iemand kwam me helpen'
(regel 8a) is - voor mij de spil waar het gedicht om draait. Daarvóór heerst er de uitzichtloze
wanhoop, nog versterkt door de mening van de eerste anonieme 'iemand' (regel 5): Je moet maar
berusten, het is niet anders. En: Er zijn massa's mensen die datzelfde gevoel hebben. En dat gaat
over, heus! Dat lokt die trieste reactie uit van de 'ik': 'Maar ik vergeet zo slecht'.
Maar dán komt die andere 'iemand' (regel 8a). Die helpt, niet met die eigenwijze en deprimerende
woorden, maar met z'n handen, z'n kracht, z'n inzicht. En als de 'ik' dan weer om zich heen kijkt,
dan is alles veranderd, in alle kamers, haar hele levensinstelling: 'Dit is inderdaad heel anders'
(regel 11).
Lezen is zoeken
Een hele belevenis, dit soort lezen. Iets vinden waar je niet naar zoekt. Dan iets zoeken, maar
iets heel ánders vinden. Wat is helpen eigenlijk? Dit gedicht lijkt wel een poëtische studie over
'helpen'. Nauwkeurig kijken, aandachtig luisteren, dan liefdevol nadenken. En dán pas wat doén.
Maar dan ook écht doén. Niet doen wat jou het beste lijkt. Maar doen wat de ander het beste helpt
om het hele 'leven' zich te laten 'omdraaien'. Dan worden alle kamers van je huis en je hart 'heel
anders'. Het worden 'nieuwe kamers'.
Er zit bijna een verhaal in dit gedicht. Met een flinke vaart. Binnen 13 korte regels verandert
iets totaal. Zo effectief is - ook - goede hulp. Echte hulp bieden aan een ander, dat is kennelijk
niet iets dat zomaar voor de hand ligt.
De eerste 'iemand' zal het wel goed bedoelen. Maar hij gaat alleen uit van z'n eigen inzicht en
z'n eigen algemene waarheid. In de wanhoop van de 'ik' ziet hij een geval. En dan gooit hij er een
makkelijk cliché tegen aan. Zo'n houding verergert nog de wanhoop van de 'ik'. Je hoort die in
regel 7.
De andere iemand kán misschien wel niet over emoties praten. Maar hij heeft oplettender gekeken en
zich dieper ingeleefd dan de eerste. En intuïtief heeft hij het enige gedaan wat juist is. Iets
voor de 'ik' gedáán. Je hóórt de opluchting in regel 11-13.
'Alles wordt nieuw!' Ik had niet gedacht dat dit gedicht in zó weinig regels en in zó alledaagse
woorden en over zo'n banaal onderwerp diepzinnig vertelt hoe je kunt helpen en troosten. Het gaat
van niet te verdragen ontreddering via wanhoop naar opluchting. De 'ik' voelt zich al bijna thuis.
Een blij bericht dus eigenlijk!
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1