7 februari 2007
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
Een bespreking door Remco Ekkers en Joop Leibbrand
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander
en Meander Magazine.
De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er 1940 abonnees.
Vooraf
In de vorige aflevering besprak Lambert Wierenga 'Een bericht' van Chrétien Breukers. De reactie
van de dichter daarop werd al in de Klassieker zelf opgenomen.
In dit nummer een 'dubbelbespreking'. In de Poëziekrant jrg. 30 nr. 5, okt.- nov. 2006,
besprak Remco Ekkers Gerrit Kouwenaar leest Dat is alles. De passage waarin hij het
gedicht 'Zo helder is het werkelijk zelden' behandelde, stond hij af voor de Klassiekers. Met zijn
instemming schreef Joop Leibbrand er een aanvulling op.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
Het volgende nummer verschijnt op 7 maart 2007 en dan bespreekt Inge Boulonois
Psalm 23 van Leo Herberghs.
zo helder is het werkelijk zelden
Zo helder is het werkelijk zelden, men ziet
het riet wit voor de verte staan
iemand klopt aan, vraagt water, het is
een verdwaalde jager
het antwoord is drinkbaar, zijn kromme weg
uitlegbaar in taal
in zijn weitas een bloedplas, het water
verspreekt zich al pratend in wijn
kijk, zegt hij, omstreeks het riet wijzend bij wijze
van afscheid, dit is een rouwmantel
later staat zijn glas daar nog, men ziet
het riet en eet wat -
Gerrit Kouwenaar (1923)
Uit: het ogenblik: terwijl , Querido, Amsterdam, 1987
De titel is opmerkelijk met de heldere è's.
Wát helder is, moeten we beantwoorden na lezing (en herlezing) van het gedicht. Neem het eerst
maar gewoon letterlijk en concreet: er is een heldere lucht. Dat blijkt uit de tweede regel.
De beschouwer, die bij Kouwenaar meestal 'men' wordt genoemd, maar eenvoudig een veralgemeende
'ik' is, staat uit te kijken over een landschap en hij ziet het riet wit voor de verte staan.
(Er is een rietsoort met witte pluimen, die bijvoorbeeld in Frankrijk verbouwd wordt als en voor
een afscheiding.)
Het is zo helder dat men over het riet heen de verte ziet. Dan gebeurt er iets. Neem het
letterlijk. Een verdwaalde jager vraagt de weg. Hij heeft natuurlijk dorst wegens het lange
zoeken. Als antwoord geeft men hem een glas water en met behulp van taal helpt men hem op de
goede weg.
De jager heeft een weitas waaruit bloed drupt. Hij heeft bijvoorbeeld vogeltjes geschoten. Na het
glas water biedt men hem een glas wijn aan en na een tijdje stapt de jager op. Hij staat en ziet
een vlinder, een rouwmantel. Zo'n naam is gemakkelijk op te zoeken. De naam is beladen met
symboliek, de dood wordt geïntroduceerd. Of is de dood al eerder geïntroduceerd?
Het betekeniselement 'dood' schuilt natuurlijk al in het woord 'jager' en, nu we toch bezig zijn,
al in het witte riet (wit als rouwkleur). Daarna de 'weitas', de 'bloedplas' en zelfs het woord
'afscheid' dat in zijn klank ondersteund wordt door de vele ij-klanken: weitas, wijn, kijk, hij,
wijzend, bij, wijze.
Het lijkt of de jager een boodschapper van de dood wordt. Er lijkt ook een religieus
betekeniselement te zijn: water wordt wijn - het eerste wonder van Jezus. En wellicht denkt de
lezer verder: en wijn wordt bloed - het offer van Jezus.
De ik-figuur wordt aan het denken gezet: de jager is weer vertrokken. De ik ziet het glas staan
en denkt bijvoorbeeld: 'Wat een merkwaardig bezoek!' Hij kijkt nog eens in de verte en naar het
witte riet en gaat naar binnen om iets te eten, want zo lang men leeft moet men toch iets eten!
Het gedicht is opgebouwd uit disticha zonder eindrijm, maar er is wel veel assonantie en opvallend
is de verschuiving van klanken: eerst de è, dan de aa en dan de ij. Klanksymbolisch lijken die
klanken hier te maken te hebben met respectievelijk verwondering, verbazing en ijzigheid. Het
gedicht eindigt heel concreet en aards met de à en de ie.
*****
Helder en eenvoudig maakt Remco Ekkers in bovenstaande bespreking duidelijk wat de essentie van
dit fraaie, voor de latere Kouwenaar zo kenmerkende gedicht is. En dankzij het feit dat hij geen
uitputtende, dichtgetimmerde analyse schreef, maar zich in zekere zin beperkte tot de anekdote,
blijft er voor de lezer alle ruimte over voor eigen, aanvullende bevindingen. Hieronder volgen er
enkele, gepresenteerd als losse opmerkingen, want het samenhangende betoog schreef Remco al.
Dat het centrale thema van het gedicht de dood is, is overduidelijk. Het zal voor Kouwenaar reden
geweest zijn de oorspronkelijke titel ervan in de bundel weg te laten: 'Sterfelijk' is ook wel erg
expliciet.
In de eerste strofe functioneren 'helder', 'werkelijk' en 'verte' ongetwijfeld ook in een andere
betekenis: geplaatst tegenover een geblokkeerde verre (of nabije) toekomst werd de ik-figuur, die
Kouwenaarse 'men' dus, zelden een zo diep inzicht in de werkelijkheid geboden als nu het geval is.
Het gaat daarbij om het besef als mens niet meer dan een kwetsbaar, tijdelijk 'riet' te zijn, 'un
roseau pensant', zoals Pascal het in gedachte 347 van zijn
Pensées omschreef:
De mens is slechts een riet, het zwakste van de gehele natuur; maar het is een denkend riet. Het
is niet nodig, dat het ganse heelal zich wapent om hem te verpletteren: een damp, een druppel
water is voldoende om hem te doden. Maar wanneer het heelal hem verpletterde, zou de mens toch nog
edeler zijn, dan wat hem doodde, omdat hij weet, dat hij sterft, en wat het heelal op hem voor
heeft. Het heelal zelf heeft daar geen weet van.
Heel onze waardigheid is dus in het denken gelegen. Daarop moeten we ons verheffen, en niet op de
ruimte en de tijd, die we niet kunnen vullen. Laten we dus ons best doen goed te denken; dat is
het beginsel der moraal.
(vertaling Rob Limburg, Bijleveld, Utrecht 1963)
In de tweede strofe vinden we in de jager een ander beeld voor de mens, en hoe pregnant: geen
ander is zo sterk gericht op leven en dood, waarbij beide elementen elkaars voorwaarden zijn. We
hebben hier echter te maken met een verdwaalde jager, iemand dus die in letterlijke en figuurlijke
zin de weg kwijt is - niet zo best voor een jager!. Niet voor niets vraagt hij om water,
levensdrank bij uitstek.
In de derde strofe is het de vraag wie die kromme weg, die weg van verdwaling, uitlegt. De jager
die vertelt hoe hij gegaan is, of de bewoner die duidelijk maakt waar hij verkeerd gegaan moet
zijn? Het maakt weinig uit, want het gaat in de kern om eenzelfde onbegrepen levensweg.
In strofe vier is de christelijke symboliek inderdaad overduidelijk. Maar in het 'ver' van
'verspreekt' zit heel sterk een pejoratief element, zodat de ogenschijnlijk zo positieve betekenis
in haar tegendeel verkeert. Trouwens, die bloedplas is wat dat betreft veelzeggend genoeg...
In strofe vijf is bij 'bij wijze van' ook fraai letterlijk te nemen, maar het is zeer de vraag of
van de grote afstand waarvan in het gedicht sprake is, werkelijk de rouwmantel te onderscheiden
valt, de nymphalis antiopa - een vlinder met zwarte vleugels met gele randen, vooral voorkomend in
bossen en daar levend van het sap van bloedende bomen en rottende vruchten. In het gedicht is hij
er, want hij wordt genoemd, maar dan in de eerste plaats als metafoor voor de mens gehuld in zijn
sterfelijkheid. In een van de gedichten uit zijn bundel
De stem op de derde etage zegt
schreef Kouwenaar al over de mens dat die [zich] 'beschermt [...] met vlees tegen niets'. De
etymologie van 'lichaam' - 'vleselijk omhulsel' - dringt zich op.
Dankzij dat woord 'mantel' is er in deze strofe sprake van een opvallend contrast. Er is sprake
van rouw, 'la nature est en deuil', maar tegelijkertijd zou francofiel Kouwenaar best eens kunnen
verwijzen naar 'Le temps a laissié son manteau' dat beroemde rondeel waarin Charles d'Orléans
(1394-1465) ooit de vernieuwing van de natuur in de lente beschreef:
Le temps a laissié son manteau
Le temps a laissié son manteau
De vent, de froidure et de pluye,
Et s'est vestu de brouderie,
De soleil luyant, cler et beau.
Il n'y a beste, ne oyseau,
Qu'en son jargon ne chante ou crie:
Le temps a laissié son manteau!
Riviere, fontaine et ruisseau
Portent, en livree jolie,
Gouttes d'argent, d'orfaverie,
Chascun s'abille de nouveau:
Le temps a laissié son manteau!
In de zesde strofe blijft de ik-figuur alleen achter, met het perspectief op het riet. De jager,
die toevallige bezoeker, is een soort boodschapper geweest die hem ervan doordrongen heeft dat
waar de natuur zich wél jaarlijks vernieuwt, dit voor de mens dus niet kan gelden. Er is het
volle besef van de eigen sterfelijkheid in leven dat doorgaat, en dat in al zijn eindigheid toch
geleefd zal moeten worden: het glas staat daar nog en men 'eet wat'.
Het lijkt een wat slap, haast betekenisloos einde van het gedicht, maar pas op, het 'eten' is een
belangrijk en vaak gebruikt symbool in het werk van Kouwenaar voor het ervaren van het leven; zijn
bloemlezing uit eigen werk heet niet toevallig
Een eter in het najaar (Querido, 1991). Het
woordje 'wat' is dan ook ambigu, en vooral op te vatten als de vraag waarmee de mens die zich van
zijn onvermijdelijke einde bewust is, zich kan 'voeden'.
In
Verzen als Leeftocht (Historische Uitgeverij,1998) heeft A.L. Sötemann Kouwenaars
dichterschap gekarakteriseerd als 'existentieel', omdat deze, zich rekenschap gevend van de
fundamentele eenzaamheid van de mens en van zijn onvermijdelijke einde, een niet aflatende poging
doet sluiers van het bestaan af te trekken, waarbij het vers dus als het ware zijn eigen voedsel
is. Mooi wordt dit geïllustreerd uit het openingsgedicht uit
de tijd staat open (1996):
Eet nog van al dit mooie
voortdurend vervangbaar aanwezige
en drink en bevat en verteer het
nu het vlees steeds vertrouwder
zich in de spiegel onteigent, de taal
verdwaalt in zijn oorsprong, de tijd
steeds sneller zich inhaalt zich uitstelt
zo volmaakt was het nooit
zo voldaan als ingeslikt water
en is het ook nu -
Wat dus in het licht van de eigen sterfelijkheid te doen? Over diezelfde
sterfelijkheid nadenken, erover lezen (Pascal!), erover schrijven - bewust leven dus.
En wij zeggen: en daarom vooral Kouwenaar lezen, met name die gedichten van hem waarin hij
zichzelf zo duidelijk tegenkomt!
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html
* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres
Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële
ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt
naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).