Dit gedicht is niet écht te
doorgronden. Tenminste niet in de gewone betekenis van dat woord: woorden
lezen, die combineren tot volledige zinnen, en dan in dat geheel een
bevredigende samenhang zoeken. Die weerbarstigheid heeft bij dit gedicht
een materiële oorzaak: er zijn nogal wat woorden in weggelaten. Er
staat zelfs niet één volledige zin in!
Aan de andere kant, veel van de woorden die er wél instaan, worden
herhaald. Zelfs erg vaak ook nog! Ook dát kan geen toeval zijn. De
dichter heeft het gedicht, ondanks de herhaling van woorden en
woordgroepjes, kennelijk met opzet onaf gelaten. Misschien omdat het
definitief afmaken ervan hem eigenlijk niet meer interesseerde? Of omdat
hij het niet kón klaarkrijgen?
Als hij het dan niet afgemaakt heeft, moet je dat als lezer, als je het
toch wilt begrijpen, dus zelf doen. Je moet je eigen tekst nog
maken. Actief. Productief. Maar hoe doe je dat als je zelf geen
dichter bent? Als je je liever als gewone lezer opstelt die zich laat
leiden door wat de dichter aan gedachten in woorden heeft vastgelegd?
Nóg een vraag. Moét je het wel afmaken en het willen
uitleggen? Kun je wel afmaken wat de dichter onaf heeft gelaten? Zou het
misschien in deze vorm tóch af zijn? Of zou het misschien
'formeel' niet af zijn omdat de dichter onderzoek deed naar iets
zo verschrikkelijks dat hij schrok van wat hij dreigde te gaan ontdekken?
Zou hij er op dat moment voor zijn teruggedeinsd om precies op te
schrijven waar hij nu juist bang voor was? En het dus maar zo gelaten
heeft zoals het was?
Bovendien, een betekenis die de dichter zelf met opzet of uit onmacht met
een geheimzinnig waas heeft omhuld, kun je die als lezer wel ontdekken? En
opschrijven? Wat is de waarde van jouw oplossing voor een probleem waarmee
de 'hij' zelf is blijven zitten? Dat zijn vragen waarop een
antwoord interessant en waardevol kan zijn.
WAAR EN HOE BEGINNEN?
Een startpunt vinden is bijna altijd een probleem. Een titel ontbreekt
(het is het elfde gedicht van de cyclus
Ongerijmdheden). Niet
één volledige zin! Vaak dezelfde woorden! Herhaling dus,
maar ook voortdurende variatie. Welke van die telkens verplaatste woorden
zijn belangrijk? Zou dat af te leiden zijn uit de frequentie? Eens
proberen. Eerst dus wat cijfers en aantallen!
Het gedicht bestaat uit 12 regels. Zinnen kun je ze eigenlijk niet noemen:
nergens is een idee compleet geformuleerd, nergens vind je qua volgorde de
bekende structuur, de woorden zijn in schijnbaar willekeurige volgorde
achter elkaar gezet. Niet 'grammaticaal' dus. De enige zin - maar
er bestaat geen term voor dit soort taalverminking - die een
'normale' start heeft, maar al evenmin voltooid wordt, staat in de
eerste regel.
Wél eindigen alle regels met een punt. Dat suggereert weer dat de
regels toch als complete zinnen moeten worden gelezen. Die botsing in
de vorm weerspiegelt de indruk van de botsing in
het
gevoel dat de dichter - telkens weer onvolledig - onder woorden
brengt.
Het gedicht bevat 91 woorden. Op die 91 woorden komt 'vader' 8
keer voor; 'jeugd' 7 keer; 'gewoon' 9 keer;
'tegen' 4 keer en 'moeder' 3 keer. Dan tenslotte de
voegwoorden 'doordat' en 'omdat' samen 5 keer.
Van die 8 keer 'vader' in het totaal heeft de eerste strofe er 4
keer. In dezelfde strofe 3 keer 'jeugd' en 4 keer
'gewoon'. Met andere woorden: op een totaal van 8 keer
'vader' heeft de 1e strofe er al
de helft.
'Gewoon' 4 keer op een totaal van 9. En 'jeugd' 3 keer op
een totaal van 7. 'Doordat' en 'omdat' samen 3 keer op een
totaal van 5.
Maar daar komt nog een groepje woorden bij die je kunt koppelen aan
'jeugd', aan 'vroeger'. Het zijn 'eens',
'toen', 'ooit'.
Ze komen ook tegelijk,
zelfs vlak naast elkaar voor: 'ooit eens' (regel 5), 'ooit
gewoon eens' (regel 6), 'toen ooit al eens' (regel 8). Soms op
een vreemde plaats, aan het eind van een zin: 'toen' (regel 4) en
'ooit' (regel 7 en 11).
Dat kun je de themawoorden noemen. De helft daarvan
vraagt dadelijk in de 1e strofe de volle aandacht. Het thema wordt daar al
neergezet. Daar komen al die themawoorden met de grootste frequentie voor.
In de rest van het gedicht komen ze terug. Telkens in die onaffe zinnen.
Telkens met dezelfde geheimzinnige vaagheid. Dwangmatig lijkt het wel:
z'n ouders, z'n jeugd, ze vormen een vastgeroest conflict dat de
'hij' met zich meedraagt, zonder het voor zichzelf te hebben
opgelost.
THEMA: EEN OORZAAK MET BLIJVEND GEVOLG
Kan de lezer hier al een voorlopige conclusie uit afleiden over een thema?
De dichter is op zoek naar een oorzaak voor wat hij bij een
'hij'-figuur waarneemt. Dat kun je zeggen omdat het over 'zijn
vader' en 'zijn jeugd' gaat. Het begrip 'oorzaak' ligt
verscholen in de
eerste vier woorden: 'Dat komt
gewoon doordat …'. Het voegwoord 'doordat' kondigt een
oorzaak aan voor een verschijnsel dat iemand waarneemt (in de grammatica
'oorzakelijk voegwoord').
Dat er zo'n 'oorzaak' ten grondslag ligt aan het verwijt van
de 'hij', blijkt ook nog uit het woord 'gewoon' dat niet
minder dan negen keer voorkomt. De 'oorzaak' is niet te
achterhalen, lijkt de dichter te onderstrepen. Het is bijna een
'noodlot' dat z'n vader tot de veroorzaker heeft gemaakt van
iets ergs. Een noodlot waar je niets tegen kunt doen? Dat je
'overkomt'? 'Gewoon'?
Een 'oorzaak' heeft natuurlijk ook een 'gevolg'. Dat
beweert het begin van het gedicht al: 'Dat komt gewoon doordat
…'. De dichter ziet iets ergs waaraan hij geen naam geeft.
Alleen maar 'Dat …'. Een woord dat naar iets verwijst dat
voor de 'hij' voldoende is, maar dat voor de lezer alles in het
vage laat. De dichter wijst als het ware iets aan, wat hij niet kan of
niet wil of niet durft benoemen. Dat gebeurt dan ook niet, tot het einde
toe! Hij laat dat aan de verbeeldingskracht of aan het inlevingsgevoel van
de lezer over.
Het simpele woordje 'Dat …' is de raadselachtige aanduiding
van het enige wat je uiteindelijk zult moeten proberen te begrijpen. De
lezer heeft daarbij één hulp: het hele gedicht wordt eraan
besteed om hem te helpen er achter te komen dat er een diep en pijnlijk
geheim bestaat. Telkens weer die ritmische herhaling van dezelfde woorden.
Tegelijk niet
durven of niet
kunnen 'zeggen',
maar het tegelijk wél beslist en koppig
willen! Na elke
mislukking opnieuw naar woorden zoeken voor dat onbenoembare! Niet noemen,
maar suggereren. Niet proberen te zeggen wát er aan de hand is, maar
laten raden hoe érg het is! Dit 'Dat komt doordat …'
ligt dan ook als een doem over het hele gedicht!
WOEDE OF VERDRIET
'Dat …' is, denk ik, een gevoel van haat of woede of
verdriet. Dat gevoel voert de 'hij' terug op 'z'n
jeugd' (regel 2). Toen heeft z'n vader hem 'eens' (regel
1), dus lang geleden, iets aangedaan wat de 'hij' emotioneel diep
gekrenkt heeft. Of hij heeft toen iets nagelaten te doen waardoor
zo’n gevoel van woede of verdriet is ontstaan. De oorzaak van alles,
dat is 'zijn vader' (regel 1). Die heeft hem 'ooit',
'toen', 'eens', 'in zijn jeugd' agressief
bejegend, met als gevolg een trauma waar de 'hij' nu nog steeds
onder lijdt!
Wat dat is? Daar valt alleen maar naar te raden . De dichter hult zich
systematisch in vaagheid. Er spreekt vooral een donker verdriet of een
eenzame woede in dit gedicht. Het gaat niet om de
aard van dat
gevoel. Het gaat om de
oorzaak ervan! Daarom is er die dreiging,
de dreiging van iets onherroepelijks: de vader is 'ooit',
'toen', de oorzaak geweest van een probleem dat hij nooit meer bij
z'n zoon zal kunnen goedmaken. Het probleem zit kennelijk in hem vast.
Hij kan er niet los van komen, hij kan het ook niet - meer - uitpraten met
z'n vader, hij kan er zelf geen oplossing voor bedenken.
Vandaar dat het gedicht déze - en géén andere -
taalvorm krijgt! Een spontane, soepele vorm is niet mogelijk. De
'hij' draait in een cirkel van telkens herhaalde woorden rond:
z'n probleem met z'n vader, dat al van heel lang terug dateert -
'in zijn jeugd' -, kan hij niet anders dan in cirkelvormige
herhalingen uiten. Het gedicht komt dan ook niet vooruit! Er bestaat geen
uitzicht op een oplossing, op verzoening met z'n vader! Vandaar dat
het woord 'nooit' ook met regelmaat en met nadruk terugkomt tegen
het einde van het gedicht: regel 9, 10 en 12. Het probleem is onoplosbaar
geworden. Het zit vast in de 'hij'. De 'hij’ zit erin
vast. 'Gewoon', omdat het nu eenmaal zo is. Onherstelbaar.
EMOTIONELE BLESSURE
Zo vast, dat de 'hij' zelfs de taal, de woorden en de zinnen niet
meer vindt om z'n gevoel te uiten. In het gedicht is geen zin af,
klopt geen volgorde, wordt geen gedachte afgemaakt. Hij is er uiteindelijk
zelf in vastgelopen. Maar wat is dat probleem dat onuitspreekbaar lijkt?
Een reconstructie.
Er is 'ooit' een conflict ontstaan tussen de 'hij' en
'zijn vader'. Dat is gebeurd toen de 'hij' nog jong was.
Maar in strofe twee komt er een nieuw woord bij dat een tipje van de
sluier over dat conflict in het verleden oplicht. Dat is het woord
'tegen'. Regel 5 'tegen hem', en regel 6 'hem
tegen'. Je moet het woord als themawoord toevoegen. Het geeft vorm aan
dat conflict. Je kunt er van alles bij bedenken. Bijvoorbeeld: de vader die
tegen z’n zoon
schreeuwde? Die de jongen
tegenwerkte? Die tegen hem zweeg? Die 'gewoon' 'tegen hem
was'? Kortom: vervreemding of verwijdering tussen vader en zoon, die
'gewoon' veroorzaakt werd door de vader en waar de jongen 'in
zijn jeugd' al onder te lijden had. Het lijkt wel alsof de
'hij' zinspeelt op één verschrikkelijke gebeurtenis
waar hij voorgoed door kapot is gemaakt. Regel 8 heeft 'toen ooit al
eens'. Eén gebeurtenis die later nog weer is herhaald: 'al
eens' suggereert dat het niet bij één keer is gebleven.
Dan lijkt het ook alsof ook de moeder (regel 9-11) een rol heeft gespeeld
in dat trauma. Maar je komt al evenmin te weten welke rol dat is! Want ook
dat is verhuld gezegd: moet je regel 9 lezen als 'ooit eens tegen hem
en nooit tegen zijn moeder' of 'ooit eens tegen hem, maar zijn
moeder nooit (tegen hem)'? Met andere woorden: was de vader alleen
agressief tegen de 'hij' en niet tegen de moeder? Of: was alleen
de vader agressief tegen de 'hij', maar z'n moeder nooit?
Heeft de 'hij' alleen geleden onder het gedrag van z'n vader,
maar niet onder dat van z'n moeder? Dan moet je regel 10 zo lezen:
'Nooit zijn moeder in zijn jeugd. Zijn vader!' Dan zou de
'hij' z'n moeder verdedigen, in een uiting van woede op
z'n vader.
Maar wat betekent regel 11 dan? Heeft z'n moeder toch 'ooit'
ook 'tegen hem' geschreeuwd, net als z'n vader? Of heeft ze
juist 'tegen hem' getoond dat zij er niet aan meedeed? Dat ze
troostende woorden 'tegen hem' wilde zeggen? Hem 'tegen'
de vader beschermen?
In ieder geval is de functie van de laatste regel om eindelijk enige
duidelijkheid te verschaffen. Je zou die onvolledige zin zo kunnen
aanvullen: 'Nooit eens was in zijn jeugd zijn vader gewoon eens
vader!' Hij is altijd een man geweest met wie de 'hij' alleen
pijnlijke ervaringen heeft gehad en aan wie hij trieste herinneringen
heeft overgehouden. Herinneringen waarmee hij niet in het reine kwam. Die
hem blijven achtervolgen. Oorzaak? Hij heeft 'in zijn jeugd'
'nooit eens' 'gewoon' een echte vader gehad.
EEN KAPOTTE JEUGD EN EEN KAPOTTE TAAL
Dit gedicht met z'n verminkte zinnen heeft als thema dat de
'hij' de oorsprong van z'n verminkte jeugd en z'n kapotte
heden onder ogen wil zien. Een jeugd waarin hij te lijden had van een
agressieve vader. Die tegen hem schreeuwde. Die in alles 'tegen
hem' was. Die sombere herinneringen hebben zich vastgezet in z'n
gevoelsleven. Zo erg dat hij dat kapotte
gevoel voor z'n
vader niet anders kan verwoorden dan in kapotte
zinnen over
z'n vader. Die is er de oorzaak van dat z'n gevoel - het gevoel
van een zoon voor z'n vader, van een vader voor z'n zoon -
tegenover hem blijvend is verminkt. Gewoon. Ooit. Toen al. Tegen hem.
Nooit eens gewoon ooit vader!
Somber. Tegelijk afstandelijk. Die afstandelijkheid wordt nog versterkt
doordat de dichter niet 'mijn vader', 'mijn jeugd' zegt,
maar '
zijn jeugd' en '
zijn vader'. Het
is persoonlijk diep doorvoeld. Maar anderzijds schept hij als het ware
afstand tot z'n eigen gekwetstheid. Hij doet alsof hij het als
buitenstaander over iemand anders heeft. Niet over zijn eigen persoonlijke
blessure van vroeger: dat is té dicht bij. Té pijnlijk. Het
gaat 'officieel' over een ander. Zo krijgt het gedicht in zekere
zin ook nog een universele strekking. Een fraaie techniek! De dichter
benoemt dit gevoel niet in gevoelige woorden en uitgebalanceerde zinnen.
Daar is hij nog niet aan toe! Het is de vorm die hier illustreert dat het
gedicht gaat over emotionele en psychische verminking. Wat zwaar gezegd.
Maar de dichter vraagt ook zoveel van z'n lezer dat die z'n
uiterste best moet doen om dat verminkte gevoel te peilen.
'MET STOMHEID GESLAGEN'
Het gedicht vraagt om studie. Nauwkeurig kijken. Persoonlijk nadenken. Je
komt er niet zomaar achter hoe de bouw ervan is en wat een mogelijke
betekenis is. Ook dat is een soort weerspiegeling; zulke intieme blessures
in je gevoelsleven, daar loop je niet mee te koop. Die stop je diep weg.
Uit zelfbescherming. Uit trots. Zelfs uit loyaliteit jegens die ander!
Maar als lezer doe je daarin onvermijdelijk net als de dichter: voordat je
het gedicht begrijpt, moet je heel wat overwinnen aan schroom. Durf
opbrengen om diep in jezelf te kijken en na te gaan hoe je zelf bent
opgegroeid. Welk verdriet je hebt gehad. Verdriet dat is blijven zitten.
Verdriet dat is gaan vastzitten. Juist als je het verbergt en het ontkent,
kan het er later uitkomen in dit soort verminkte taal. Zoals sommige mensen
zijn gaan stotteren, omdat ze iets
wel willen zeggen, maar dat
té lang hebben onderdrukt. Dan lukt het ineens niet meer. Een
Franse arts, François Emmanuel, vertelde het verhaal van een
patiënte die, nadat haar enige kind plotseling was gestorven, haar
spraak kwijt was geraakt: dat verdriet was voor haar kennelijk 'niet
onder woorden te brengen'. Het had haar 'met stomheid
geslagen'.
Maar het is er nu, bij de 'hij' van Mulisch, wél uit. Al
zoekend. In verminkte taal weliswaar. Z'n gemis laat zich alleen maar
uiten in die verminkte taal. Het moést eruit! Juist die verminking
maakt hier deel uit van de betekenis. Voor de dichter dé manier om
zulke gevoelens uit z'n innerlijke leven van vroeger te leren kennen
en te verwerken. Poëzie, bijvoorbeeld een gedicht als dit, kan helpen
dat te begrijpen. 'Poëzie is zoeken'! Een vorm van persoonlijk
onderzoek en vaak van emotionele hygiëne!
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23