Echt een modern gedicht! Zeker wat z'n vorm betreft. Niet omdat het niet rijmt: dat is inmiddels
wel te verwachten. Ook heeft het op de verwachte plaatsen komma's en punten. Nee, het is vooral
de manier waarop de regels en de zinnen, zeker in de eerste strofe, bijna los van elkaar lijken te
zijn gezet. Ook worden de 'regels' schijnbaar willekeurig afgebroken zonder dat de 'zin' nog af is.
Wat daardoor des te meer opvalt - dat vóél je overigens meer dan dat je het kunt aantonen - dat
is de sfeer die wordt gecreëerd. Het lijkt enigszins op de uitbeelding, maar dan in woorden, van
een intiem schilderij. Schilderkunst, maar met als materiaal de taal en als techniek de taalkunst.
Het gedicht lijkt te zijn opgebouwd uit losse lijntjes die wel iets hebben van de streken die het
penseel of het plamuurmes als sporen achterlaat op het doek van een schilderij.
Het is een boeiend werkje om te zoeken wát bij wát hoort. Het verband tussen al die losse
opmerkingen moet je zelf leggen, je moet zélf alles aan elkaar denken of construeren.
Het gedicht is van de dichteres Esther Jansma. Iemand die erg veel kán. Wetenschap: ze is
organisch archeologe. Ze onderzoekt de vergane werkelijkheid, diep in de aarde of ver terug in
de geschiedenis. Ze is erin getraind de dingen buiten zich objectief te observeren, om ze daarna
te analyseren en te beschrijven.
Hier laat ze iets heel anders van zichzelf zien. Ze toont dat ze - ook los van harde feiten en oude
voorwerpen - sfeergevoelig is. Ze kan met woorden een beeld of een gevoel oproepen dat je bij
blijft. Dit gedicht is typisch zo'n sfeertekening. En juist daarom niet makkelijk om te analyseren.
Een recensent, zelf ook dichter, karakteriseerde de bundel
Dakruiters als 'weinig
toegankelijk'. En van dit 'Raam in de lucht' zei hij in het bijzonder: '[Dit is een gedicht] dat
in negen korte regels zoveel raadsels bij mij opriep dat ik er nog lang niet klaar mee ben.'
(Maarten Doorman, in
NRC Handelsblad19-01-2001). Is dit raadsel toch een beetje
toegankelijk te maken?
Om met de beschrijving van dit gedicht een start te maken ga ik nog even verder met die
vergelijking van dit staaltje van
dichtkunst met
schilderkunst. Dat levert in ieder
geval wat technisch en stilistisch materiaal op bij de beschrijving van 'Raam in de lucht'.
Aandacht voor die literaire techniek is vaak een handige insteek. Daarna volgt een poging
om het
verhaal te ontdekken dat in dit gedicht verborgen zit. Met die beide invalshoeken
is het misschien enigszins te doorgronden.
DICHTKUNST ≈ SCHILDERKUNST
Wat doet in dit gedicht denken aan technieken of procédés van de schilderkunst?
Een
momentopname. Titels van schilderijen uit de 17e eeuw, maar ook daarna, worden
vaak gevormd op éénzelfde manier. Taalkundig gezien tenminste. Het is vaak een vast woordgroepje,
herkenbaar aan z'n vorm. Meestal bestaat die titel uit een zelfstandig naamwoord, meestal zonder
lidwoord, gevolgd door een voorzetsel - b.v. 'met' of 'aan' - en dan weer een zelfstandig naamwoord.
Een paar voorbeelden uit catalogi van Rembrandt, Frans Hals en Vincent van Gogh: 'Landschap
met ophaalbrug', 'Meisje aan venster', 'Man met baret', 'Jongen met bierkan', 'Glas met rozen',
'Achterkanten van huizen'. Portretten, stillevens: die woorden geven wel aan wat er met zo'n
schilderij is bedoeld. Een concrete scène 'uit het leven gegrepen'. Een scène uit een verhaal
dat dan plotseling wordt 'stilgezet' en 'uitgebeeld'. Een momentopname dus. De beweging -
met 'rozen', met een 'meisje', bij een 'ophaalbrug' - is stopgezet.
Een gedicht kan in de loop van z'n regels, z'n zinnen en z'n strofen méér. Het kan óók de
beweging en het tijdsverloop waarnemen en vastleggen: een gedicht krijgt door de opeenvolging
van woorden en zinnen een 'ontwikkeling', een 'duur'. Op die manier ontstaat een 'verhaal'.
Een schilderij daarentegen moet alles in één stilstaand beeld samenvatten en vastleggen.
Een
stilleven. Zo kun je het schilderachtige van dit sfeergedicht beschrijven. De titel:
'Raam in de lucht' bestaat uit vier woorden die uit het midden van het gedicht zijn gehaald:
regel 4b-5a. Maar daarbij zijn juist dié woorden weggelaten die dáár in hun context die zin
begrijpelijk maakten: 'Achter mijn raam / in de lucht een vliegtuigje'. Die zin was daar al
onvolledig: er staat geen werkwoord in, die taalvorm die vaak een handeling uitdrukt. Er had heel
goed een werkwoord als '(een vliegtuigje) vliegt voorbij' bij kunnen staan. Des te opvallender:
'Raam in de lucht' is feitelijk onvoorstelbaar! Aan het begin van de tweede strofe, in het woord
'Stilte' (regel 4), had de dichter de toon al gezet. De rust van de kamer wordt met dat geïsoleerde
beginwoord uitgebeeld. Alle beweging en alle geluiden worden daar stilgezet. Een donker wordende
kamer. 'Stilte' binnen. Alleen het geluid van 'een vliegtuigje', maar dan buiten.
Een
schilderijtitel. Wat suggereert eigenlijk dat 'Raam in de lucht'? In regel 4-5 vormen
deze woorden onderdeel van een gewone zin, die weergeeft wat de 'ik' buiten ziet. Maar uit
z'n verband van regel 4-5 gehaald 'betekent' het woordgroepje eigenlijk niets. Hangt een raam
soms in de lucht? En waarom niet meer 'mijn raam', maar 'raam'? Niet meer 'achter (mijn raam)'
maar alleen 'raam'? Die herhaalde ellips maakt deel uit van de ingetogenheid van dit stilleven.
De structuur van de titel 'Raam in de lucht' suggereert dat de dichter een 'stilleven' wil maken
in 'woorden'. De titelwoorden zelf zijn uit hun verband gerukt. Er zit geen échte betekenis in.
Het kán niet: 'Raam in de lucht'. Maar als je deze combinatie van woorden opvat als iets wat
de suggestie van een schilderijtitel moet wekken, wordt het begrijpelijk als een scène over de
'stilte' die heerst in 'de kamer'. Daarbinnen staat een 'meisje' voor 'het raam', met achter zich
haar 'bed' waarop een 'brief' ligt. Des te opvallender is dat stilstaande beeld vanwege het
contrast met het lawaai van het vliegtuigje buiten, áchter het raam.
NÓG EEN SCHILDERIJTITEL
Zou je, doordenkend over de analogie 'gedicht' ≈ 'schilderij', het kozijn van het 'raam'
als een schilderijlijst kunnen interpreteren? Dan moet je je voorstellen dat het meisje, staand voor
haar raam als het ware door een lijst kijkt naar de buitenwereld die in een rechthoek is afgebakend
als was het een schilderij. Eenmaal op dat spoor, wordt deze idee nog duidelijker in regel 8: 'meisje
met brief'. Het zelfde soort woordgroepje, met dezelfde stijleigenschappen. Hier is, in dit culturele
klimaat, de herinnering aan 'Meisje met parel' van Vermeer onvermijdelijk. Ook de dubbele punt
(midden in regel 8) die dit groepje aankondigt, wijst erop dat de dichter als het ware in de dynamiek
van een verhaal (de regels 1-8a) toewerkt naar het stilgezette beeld van dat 'meisje met brief'. De
beweging van het verhaal remt af, en wordt dan tot een plastische illustratie. Een soort ervaring
van 'Daar loopt het op uit. Daar gaat het om!'
Die brief die dat meisje 's morgens had gekregen - van haar vriend? - heeft ze niet eens geopend.
Zelfs nu het donker wordt, ligt hij nóg steeds ongeopend op haar bed. Is de inhoud van die brief
voor haar niet belangrijk? Kennelijk gaat het haar om het 'gekregen hebben' ervan. Het genieten
van het krijgen. Daarvoor vraagt deze 'uitgestelde titel' - 'meisje met brief' - alle aandacht.
Het is een 'verstild' gevoel van geluk en afwachten. De ervaring van geluksgevoel vasthouden.
HET VERHAAL ONDER HET GEDICHT
Het gedicht is natuurlijk méér dan deze titel die er, mét andere eigenschappen, de sfeer van een
schilderij aan geeft. Het veronderstelt een verhaal met z'n eigen verloop. Het wil niet alleen de
stilte of het wachten vastleggen. Je kunt je die kleine intrige voorstellen die in dit gedicht
uitloopt op dit 'meisje met brief'. Van dat verhaal is ook nog wat te achterhalen.
Het gedicht is een zelfgesprek. Het meisje spreekt weliswaar tegen haar vriend: ze zegt twee
keer 'je' (regel 1 en 9). Dat doet ze enkel in de eerste en in de laatste regel. Daartussen niét!
Alleen aan de randen van het gedicht dus. Ze deelt hem haar besluit mee waar hij als het ware
buiten staat.
Ze spreekt vanuit zichzelf. Twee keer zegt ze 'mijn' (regel 3 en 4) en één keer 'mijzelf' (regel 8). Ze ís
trouwens ook alleen, volgens mij. Ze heeft het dus, als ze 'je' zegt, tegen haar afwezige vriend.
Hij krijgt haar besluit meegedeeld in twee zinnen: 'Vandaag kreeg ik je brief' (regel 1) en
'Daarom open ik je brief niet' (regel 9).
Tussen die beide mededelingen aan de 'jij' valt er wel iets uit te leggen. Voor de lezer zeker: die
krijgt eerst de mededeling dat een meisje een brief heeft gekregen, en hoort tenslotte dat ze die
brief niet zal openen! Het 'daarom' in regel 9 vraagt om uitleg! Want weer is de ellips de
techniek die de oplettendheid van de lezer eist. Wat is het causaal verband tussen een brief
krijgen en die brief niet openen? Is de 'hij' al lange tijd afwezig? Schreef hij haar daarom een
brief? Waarom opent ze die dan niet? Is ze bang voor verdrietig nieuws? Denkt ze misschien dat
hij het wil uitmaken? Dat is niét de reden die ze geeft. Je krijgt juist de indruk dat ze innig
gelukkig is, ook al is haar vriend er niet. Wat is er dan aan de hand?
DE VORM
IS DE BETEKENIS
Ook al heeft het gedicht niets wat in de vorm bijna altijd als poëtisch wordt beschouwd, er is met
die vorm van alles aan de hand.
De eerste strofe bestaat uit losse opmerkingen. Drie korte zinnen vormen de alleenspraak van het
meisje, gericht tegen zichzelf en tegen de 'je'. Drie feiten droogjes opgesomd: 'je brief' gekregen, niet
geopend, op m'n bed gelegd. Dat is een soort intro van een 'verhaal'. Die brengt daarin een zekere
spanning aan: de lezer verwacht een verklaring voor dat ongewone gedrag. Die spanning wordt, denk
ik, vooral gewekt door de laatste mededeling: 'op mijn bed gelegd' (regel 3). Tot ze naar bed gaat?
Tot ze tijd heeft, of de rust, om de brief te openen? Die spanning wordt niet opgeheven. Deze strofe
speelt vaag in de tijd: 'vandaag'. Het meisje kijkt terug op haar dag; waarschijnlijk loopt het tegen
de avond (regel 6/7). Vandaar die werkwoordstijden: eerst 'ik kreeg', dan twee keer 'ik heb (niet
geopend, ˜gelegd)'. De tijd is bezig te verstrijken.
Dat blijkt ook in de tweede strofe die overloopt in de derde. 'hier / in de kamer steeds meer /
schaduw' (regel 5-7) suggereert dat de avond eraan komt, met z'n schemering.
De derde strofe geeft het einde van de dag aan. Hoe kan de 'ik' anders zeggen: 'ik wil deze dag terug'?
Dat kan alleen maar betekenen dat ze nog geen afscheid wil nemen van die dag die bijna om is. Daar
is ze nu nét bang voor: anders kun je het woord 'terugwillen' niet gebruiken.
De variatie in de werkwoordstijden is van belang. Daarin wordt een ontwikkeling in de betekenis
zichtbaar: eerst de verleden tijden (strofe 1), in verschillende vormen. Dan in de 2e strofe helemaal
geen werkwoorden, dus ook geen werkwoordstijden: de tijd staat hier - net als het geluid binnen -
stil. Die 'stilte' in de kamer en het 'stilstaan' van de tijd weerspiegelen als het ware de
persoonlijke vrede en rust van het meisje. In de 3e strofe de tegenwoordige tijd: 'Ik open je
brief niet' (regel 9). De 'ik' denkt alleen nog in het 'nú', over 'deze dag' (regel 7): die wil ze
vasthouden. Ze voelt zich zo 'stil gelukkig' dat ze 'zó' wil blijven. Nu kan ze zeggen: 'mijzelf'
bewaren' (regel 8). Hoe 'bewaren'? Zo: als "meisje met brief". Helemaal 'verstild': de tijd, het
geluid, de dag. Alleen verwachtingen. Dan wordt ook het verhaal stilgezet. En dan blijft alleen
nog het beeld dat ze koestert: "meisje met brief".
Het lijkt een video. De film draait, je volgt het lopende verhaal, dat boeit je, je gaat erin op.
Dan treft je iets zo sterk dat je het beeld even stilzet. Dan kan je ongestoord alle aandacht
richten op dat éne beeld. Dat beeld 'vastleggen', 'vasthouden'. 'Bewaren' zegt de 'ik'.
Die brief gekregen hebben, daar voorlopig niets mee doen (niet openen, op bed leggen), het stille
vermoeden van wat erin staat. Dat maakt haar gelukkig. Dat maakt haar innerlijk stil. En zo zou ze
altijd willen blijven, zich altijd 'bewaren'. 'Daarom' - een belangrijk woord hier: het suggereert
de impliciete relatie tussen 'beweging' en 'beeld' in het voorafgaande - wil ze brief niet openen.
Wedden dat ze dat later tóch doet? Het is een liefdesgedicht! Niet over een liefde die naar méér
verlangt, die heimwee heeft naar de ander. Niet een liefde die ongeduldig is om de ander te zien
en aan te raken. Niet een liefde die de aanwezigheid van de ander nodig heeft om gelukkig te zijn.
Het is een verstilde én bescheiden liefde die zeker is van zichzelf en van de ander. Over Liefde
bestaat de uitspraak: "Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
Die liefde zal nooit vergaan." Het gedicht is als een illustratie van die sereniteit. Naar een
meisje 'kijken' dat in de stilte van de vallende avond mijmert over haar liefde en haar geluk, met
die brief achter zich op haar bed.
Een gedicht als dit is sterk impressionistisch. Je moet je eigen gevoel inzetten om de gevoelens en
de sfeer te begrijpen en te beschrijven. Een 'schilderij' dat een 'gevoel' vertelt? Dit gedicht
heeft er een aspect ervan een beetje ontraadseld.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23
93
Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens