12 september 2007
Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
Een bespreking door Joris Lenstra
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander
en Meander Magazine.
Vooraf
Op de bespreking door Yves Joris van 'een minnend paar' van Gust Gils reageerde Manja
Herstel. Zij schreef:
Ik interpreteer dit gedicht van Gust Gils als volgt:
De dichter, misschien ook schilder, schildert op een grijsgeregende morgen in een
plattelandsstad (zijn woonplaats) een aquarel van de silhoutten van een man en een meisje,
een minnend paar; hij legt er de laatste hand aan (ze komen aan hun eind). Diezelfde
aquarel wordt later teruggevonden onder het stof op een onverhuurde zolderkamer. De man
en het meisje blijven anoniem, evenals de schilder, door de tijd vergleden en vergeten, maar
tevens tijdloos vastgelegd.
Op de bespreking door Inge Boulonois van 'Vermeer' van Marc Tritsmans (Klassiekers 96)
kwam nog een even vriendelijke als verhelderende reactie van de dichter zelf:
De opmerking over de vorm van het oorspronkelijke gedicht vind ik bijzonder raak. Ik wilde
inderdaad een gedicht schrijven dat de vorm zou hebben van een rechthoekig schilderij, waarbij
er tegelijkertijd ook een associatie kon worden vermoed met het raam dat in het gedicht voorkomt
(op iets dat vanuit dit raam misschien ooit). En al schrijvende vond ik dan maar dat de
regels zich binnen dat 'raam' moesten houden (waarvoor inderdaad irrelevante enjambementen
moesten worden ingevoerd). Nog daarbovenop vond ik dit ook een beetje het beeld weergeven
van die vrouwen die in altijd dezelfde kamers 'opgesloten' leken (als vogels in een kooi met
het deurtje open). Even goed lijken de woorden hier wel opgesloten in een kooi.
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2024 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
Het volgende nummer verschijnt op 10 oktober 2007 en dan bespreekt Karin Doornik
Dit eiland van J. Slauerhoff.
*
Ik sla een hoek om.
Zo bijt een beitel.
Ik tref een hand aan.
Zo verschrompelt een roos.
Ik leer jagen op liefde.
Zo hijgt een zaag
en ik zie de zee.
Zo word ik oud.
Houd ik mijn hart vast?
Denk ik aan wierook?
Zo huivert een hamer,
kantelt een stad.
Hans Faverey (1933-1990)
Uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam 2000 (ed. Marita
Mathijsen)
Wanneer we dit vroege gedicht van Hans Faverey lezen (het werd voor het eerst gepubliceerd
in
Podium 16, juli 1962 en in de afdeling 'Ongebundeld' opgenomen in
Gedichten 2
uit 1972, herdrukt in 1980), dan besluipt ons meteen de primaire vraag: wat staat hier nu eigenlijk?
Ik kan de woorden wel lezen, maar wat zeggen ze? Waar gaat dit over?
Eén manier om hier achter te komen is om verschillende niveaus te onderscheiden. Op het meeste
gemakkelijke niveau heeft een reeks gebeurtenissen plaats: 'ik sla een hoek om. Ik tref een hand
aan. Ik leer jagen op liefde en ik zie de zee. Zo word ik oud.' De samenhang is nog steeds schimmig,
maar het is in ieder geval duidelijk wat er gebeurt: iemand loopt, ontmoet, leert, ziet, en uiteindelijk
beseft hij iets. Met wat psychologie van de koude grond zou je hierin een patroon kunnen zien: we
reizen rond over deze aardbol, ontmoeten er mensen, leren daarvan, zien dingen, en verkrijgen
hierdoor bepaalde inzichten. Er zullen mensen zijn die beweren dat dit het gehele leven samenvat.
Dan is er het niveau van de metaforen: 'Zo bijt een bijtel. Zo verschrompelt een roos. Zo hijgt een
zaag. Zo huivert een hamer, kantelt een stad.' Op twee uitzonderingen na zijn het allemaal werktuigen.
De twee uitzonderingen zijn: de roos en de stad. De roos, van oudsher wellicht de meest gebruikte
vorm van beeldspraak in de poëzie, staat voor schoonheid, voor liefde, voor pathos. Maar met haar
doornen staat zij ook voor de andere kant: voor het prikken van hen die proberen haar te pakken.
Het mooie van de roos is natuurlijk dat aanraken wel kan, maar dat pas bij het beetpakken en
plukken de doornen zich doen voelen.
Ook de stad is een vertrouwd beeld, met zowel een positieve als een negatieve lading. Zij is
woonplaats voor haar vele bewoners, die zij geborgenheid en een thuis biedt, maar in de moderne
cultuur staat de stad ook voor het verlies van individualiteit en identiteit, voor ontpersoonlijking
dus.
Tot slot is er het niveau van de contemplatie: 'Houd ik mijn hart vast? Denk ik aan wierook?'
Interessant genoeg verbinden deze vragen zich haast meteen met de laatste van de reeks van
gebeurtenissen, namelijk het verkrijgen van inzicht. Ieder inzicht begint met een vraag, en biedt
daar een antwoord op. Hier is in het gedicht zelf dus sprake van het proces van het verkrijgen van
inzicht. Echter, zonder dat dit inzicht wordt verwoord. De vragen worden niet beantwoord.
Op deze manier hebben we in ieder geval enig inzicht gekregen in de opbouw en indeling van dit
gedicht en hebben we nieuwe samenhangen ontdekt tussen de woorden en begrippen. Wanneer
we met dit open vizier, en zonder de illusie alles te zullen of willen verbinden en verklaren, het
gedicht nogmaals lezen, dan valt op dat er in het gedicht een duidelijke structuur zit.
Iedere gebeurtenis resoneert met een bepaalde beeldspraak. De eerste vier strofen gaan zo
paarsgewijs voort. De functie van een metafoor is om een meerwaarde te verlenen aan hetgeen
er verbeeld wordt. In dit geval geeft steeds de tweede regel een extra lading aan de eerste regel.
Zoals een beitel bijt, zo sla ik een hoek om.
Normaal gesproken kan een beitel niet bijten, maar hier krijgen alle werktuigen vreemde
eigenschappen mee. De beitel bijt, de zaag hijgt, en de hamer huivert. Deze eigenschappen
hebben gemeen dat ze alle primitief zijn, en niet specifiek bij de mens horen. Sterker nog, ze
hebben een bepaalde dierlijke connotatie. Deze primitieve elementen, gecombineerd met het
eerder beschreven patroon, verlenen een bepaalde levensnoodzaak aan de instrumenten en
aan dit gedicht.
Wat deze instrumenten ook gemeen hebben, is dat ze alle met bouwen te maken hebben.
Bijvoorbeeld het bouwen van een stad, een thuis. Of, figuurlijk, van een inzicht: een opeenvolging
van ervaringen opgebouwd tot kennis.
Na deze eerste vier strofen komt de strofe die bestaat uit de twee vragen die de spreker van
het gedicht stelt. Aan wie hij deze vragen stelt is onbekend. Aan zichzelf, aan jou en mij als
lezer, aan een onbekende derde? De vragen worden echter niet beantwoord. Er wordt geen
inzicht verkregen en geen kennis opgebouwd.
Het gedicht valt weer terug naar het niveau van de metaforen in de laatste strofe, die qua structuur
de indruk wekt antwoord te geven op de vragen, maar qua betekenis met deze vragen niets te
maken lijkt te willen hebben. Er volgt geen conclusie of argumentatie. Er volgt een metafoor
ingeluid met het bedrieglijke woordje 'zo'. Het gaat hier om een vergelijking. En juist dat waarmee
er vergeleken wordt, juist dat wat het daadwerkelijke antwoord op de vragen in zou houden, wordt
niet uitgesproken. Het is alsof wij in een poëtische spiegel kijken naar de antwoorden, alleen is
deze spiegel een kermisspiegel die het antwoord vervormd heeft tot een huiverende hamer en
een kantelende stad.
Nu we echter weten dat opbouwen in dit gedicht heel belangrijk is, en dat juist de stad - die door
mensenhanden uit de aarde opgebouwde woonplaats - kantelt, kunnen we in ieder geval
begrijpen dat het antwoord niet erg positief zal zijn geweest. Ook de hamer die er bij betrokken
is geweest, huivert. Het heeft er veel van weg dat de spreker inderdaad beter zijn hart vast
kan houden.
Maar waarom zou hij dan aan wierook denken? In veel religies wordt wierook gebruikt bij
plechtige diensten. In het katholieke geloof wordt wierook gebruikt bij begrafenissen. Maar
wierook wordt van oudsher ook gebruikt als offer om de goden gunstig te stemmen.
Dus, wordt de wierook hier bedoeld om associaties op te roepen met een aankomende
begrafenis? Misschien de begrafenis van de spreker, of de noodzakelijke begrafenis van
ieder mens aan het einde van zijn leven? Is dat het allerlaatste, noodzakelijke en bittere
inzicht dat de mens zichzelf verschaft?
Of wordt wierook hier bedoeld als offer aan de goden om bij hen bescherming op te roepen?
Om aan te geven dat het allerlaatste, noodzakelijke inzicht bij hen rust, en niet bij de mens,
en alleen op zulke wijze aangeroepen kan worden?
Ik zou het hier niet weten. Wierook is altijd al erg vluchtig geweest en heeft eerder als doel
gehad om te bedekken en verdoezelen, dan om te verhelderen en verklaren. Daarin heeft
zij wel wat weg van de poëzie. En misschien wordt hier bedoeld dat het juist aan ieder van
ons is om deze vraag voor onszelf te beantwoorden.
Kortom, zonder volledig duidelijk maken wat hier gebeurt of waar het allemaal precies over
gaat, biedt het gedicht suggesties en associaties. Er wordt veel in verwezen, geduid, maar
niets wordt uitgesproken of bij naam genoemd. De afstand tussen de woorden en begrippen
onderling is bij tijd en wijle groot. Hierdoor is het mogelijk om zelf tussen de regels door te
dwalen, en zelf onze verbeelding eraan toe te voegen. Zo vind ik: 'Ik tref een hand aan. /
Zo verschrompelt een roos.' een erg mooie combinatie. Droef, en tegelijk erkenning biedend
aan het feit dat het zo moet zijn. De hand en de roos kunnen niet samengaan. De hand blijft
in leven, de roos niet. De hand is sterker, en nog steeds droevig in zijn eenzaamheid. Had hij
maar ook een bloem willen zijn, en geen hand, die dan wel van alles maakt, maar ook
stukmaakt.
In zijn geheel komt dit gedicht op mij over als een grote, rommelige opeenhoping van taal, van
woorden, van mensenlichamen, herinneringen, inzichten. Een berg die langzaam naar de hemel
klimt, waaruit plots losbarst: 'Houd ik mijn hart vast? / Denk ik aan wierook?' en die daarna verder
zal groeien, even Babylonisch als Dantesk.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23
93
Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94
Esther Jansma - Raam in de lucht
95
Leo Vroman - Jeldican en het woord
96
Marc Tritsmans - Vermeer
97
Gust Gils - een minnend paar
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met
voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).