Veel ideeën en emoties in dit gedicht zijn herkenbaar: verdriet, angst, dood, eenzaamheid. Maar
deze termen zijn te algemeen, te banaal. De dichteres creëert vooral een sfeer van dreiging,
zelfspot, cynisme en vervreemding. Het gedicht is opmerkelijk door z'n dreigende toon én
complex in z'n opvallende overgangen. Welke isotopie
[*]
houdt al die - feitelijke en emotionele - elementen van het gedicht bij elkaar?
EEN EERSTE VOORSTEL: EEN 'WARMTE - KOUDE'-isotopie
De constructie van een heldere isotopie is in dit geval een échte zoektocht! In het begin zijn al
duidelijke markeringen te vinden. Regel 2 introduceert het zelfstandig naamwoord 'warmte'.
Even verder is 'de kachel loeide' (regel 6-7) enkel een schijnbaar gezellige notitie. De 'ik'
zoekt warmte onder de 'dekens' (regel 5-6). Is dat fysieke warmte? Zoekt ze beschutting
tegen de 'koude' werkelijkheid buiten? Dan is er het werkwoord 'verhitten' (regel 9). Verder
in regel 7 nog 'warmste', de overtreffende trap van 'warm'. De aanduiding 'warmste van ons
tweeën' moet hier wel slaan op de partner van de 'ik'. Die omschrijving lijkt een herinnering
op te roepen aan de passie die ooit tussen die twee bestond en waaraan ze zich toén nog
kon warmen. Nu echter 'niet meer'. Het lijkt de start van een 'warmte'-isotopie die de
'binnenwereld' en de 'buitenwereld' verbindt.
Maar de 'warmte'-isotopie in het gedicht krijgt ook z'n tegenhanger. De 'warmte' (regel 3)
is 'verloren'. Het 'niet meer' (regel 8) wijst erop dat de warmte van vroeger nú wég is. In
nogal wat regels is dan ook sprake van 'kou'. Warmte vindt de 'ik' niet meer. Een
contrasterende isotopie wordt opgebouwd. Warmte tegenover kou. Misschien is
'kou' hier een nog wel systematischer thema dan 'warmte'. Zo zegt de eerste zin (regel 1-3a)
eigenlijk dat de 'ik' lijdt aan plotseling en onbekend warmtekrachtverlies: de 'ik' was 'het
vermogen om warmte
vast te houden' ineens 'verloren'. Je kunt dus ook spreken
van een 'kou'-isotopie. Dat blijkt verder uit 'Ik kroop onder steeds meer dekens' (regel 5b-6a).
De 'ik' lijkt wanhopig warmte te zoeken, alsof ze ziek is! De koorts doet haar rillen van de
kou. Ze blijft 'rillen' (regel 9) en 'huiveren' (regel 10). Ze lijdt kou. Zelfs haar partner - die
haar vroeger 'in vuur en vlam' kon zetten - slaagt er niet in haar warmte te bieden. De 'ik'
ervaart dat alles als een gevoel van gemis. Warmte vasthouden, dat 'vermogen' had ze
vroeger, maar dat is ze 'verloren' (regel 3).
De 'warmte' en de 'koude' zijn dus qua
vocabulaire contrastief, maar qua
thematiek tegelijk complementair. De 'ik' zoekt warmte. Bij de vertrouwde dingen,
bij geliefde mensen. Maar niets helpt tegen die kou: geen kachel, geen dekens, geen
partner. Geen intimiteit meer. Is dat het thema: haar onvoorziene, plotselinge onvermogen
om - lichamelijke of emotionele - warmte te geven en te krijgen?
EEN TWEEDE VOORSTEL: 'HUIVEREN'
Toch is ook hier een probleem. Veel blijft er, als je uitgaat van deze tweezijdige isotopie, nog
onduidelijk. De 'warmte' - 'koude'-isotopie verklaart onvoldoende. Warmte en koude zijn elk,
maar ook samen, onvoldoende om de analyse van het gedicht te voltooien. Wat in het
subjectieve perspectief van de 'ik' een raadsel was, blijft dat tot hier toe ook voor de lezer.
Er volgt een tweede strofe - afstandelijker van toon en sfeer - waar ineens geen sprake
meer is van die 'warmte' - 'koude'-isotopie. Nu wordt, lijkt het, een ander thema
geïntroduceerd, in de vorm van de uitwerking van het laatste woord van de eerste strofe:
'de dood' (regel 11). Hoe verbind je nu dat
contrastieve maar tegelijk
complementaire tweeluik - warmte versus koude - met wat er nog volgt? Het
'huiveren' (in regel 10) bevat misschien een sleutel.
De dichteres heeft als het ware een dubbele bodem gelegd in haar keuze van dat
woord. Het maakt op het eerste gezicht weliswaar deel uit van de 'kou'-isotopie. Maar 'huiveren'
heeft niet exclusief de betekenis van dat fysieke 'rillen' (regel 9), twee woorden eerder. Het
betekent ook 'beven', 'terugdeinzen'. Dan is er sprake van 'angst', 'afkeer' of van 'twijfel'. Zou
een alternatieve isotopie er misschien één zijn van 'angst'? Maar angst voor wat? Angst voor
de kille dood, zoals regel 11, met de verontrustende uitdrukking 'oog in oog staan met', lijkt te
suggereren? Maar ook dat levert geen afdoende verklaring op: de zakelijke constatering is
immers dat er tussen de 'ik' en de dood 'een aanzienlijke afstand' (regel 15-16) bestaat. De
dood is nog op afstand. Maar is dat wel een geruststelling?
EEN DERDE VOORSTEL: 'VERLIES'?
Er moet iets anders én iets méér aan de hand zijn dan 'warmteverlies' en 'koude'. Ook meer
dan 'huiver' voor de naderende dood. Iets wat zich niet bevredigend laat vangen in deze
isotopieën. De 'ik' zoekt voor haar
intieme beleving een
zakelijke verklaring.
Maar ook die bevredigt niet.
De 'ik' heeft iets verloren dat vroeger deel uitmaakte van haar persoon. Maar nu herkent
ze zichzelf plotseling niet meer. Het gedicht begint dan ook met een opvallend woord:
'Ineens'. Wat ze nú kwijt is, is een verlies dat haar overvalt, waardoor ze nú ten prooi valt
aan angst. Die potentie warmte en intimiteit te bieden, had ze vroeger altijd wél! De startzin
'Ineens was ik (...) verloren' geeft twee dingen aan: vroeger bezat ze wél iets, én het
angstige verlies is
plotseling opgetreden. Ze is dan ook pijnlijk verwonderd over
haar onvermogen om nog 'warm' te blijven. Dat blijkt uit de bijzondere plaats die 'verloren'
krijgt: uitgesteld tot helemaal aan het eind van een lange zin (
grammaticaal; regel
1-3) én aan het begin van een regel (
typografisch; regel 3)! Zij zelf begrijpt het niet,
en de spanning daarover deelt ze aan de lezer mee door dat woord - de diagnose - lang
uit te stellen. Dat moét dan ook wel een sleutelwoord zijn!
Hoe is dat zo met haar gekomen? Is ze ziek? Depressief? Eenzaam? Innerlijk 'koud'
misschien? Heeft ze dat verlies niet voelen aankomen? Ze is een raadsel voor zichzelf:
vandaar dat ze zich afvraagt wat de oorzaak kan zijn. Het is bijzonder dat de 'ik' het zelf
ook niet weet. Ze constateert innerlijke kou, rillen en huiveren als onverklaarbare symptomen.
Cynisch bedenkt ze dat het misschien komt doordat ze - als moeder - haar volwassen
kinderen die nét 'het huis uit zijn' (regel 4) niet kon laten gaan, ze niet kon loslaten. Hebben
haar kinderen, door hun vertrek, haar gulheid aan moederlijke warmte ineens overbodig
gemaakt? Zou dát haar 'verlies' zijn? Het idee dat ze 'Ineens' (regel 1) overbodig is
geworden?
Maar ze zegt dat met nogal wat cynisme: zelf gelooft ze niet in die verklaring! Je hóórt
de bittere zelfspot in 'snoof ik, ja, ja' (regel 4-5). Ze vindt die verklaring al te triviaal!
Als kinderen het ouderlijk huis verlaten om hun eigen leven op te bouwen, kan dat wél
vaak een gevoel van leegte veroorzaken, van overbodigheid. Zeker de moeder heeft
een belangrijk deel van haar persoonlijkheid, haar 'warmte', geïnvesteerd in haar gezin.
Hoewel het natuurlijk het doel van elke opvoeding is, kan ze zo'n ingrijpende verandering
als een verlies ervaren. Het 'lege nestsyndroom' (syndroom = complex van
verschijnselen die kenmerkend zijn voor een bepaalde toestand). Maar de 'ik' verwerpt
die diagnose.
Interessant te weten dat de dichteres, Anna Enquist, ook psychoanalytica is! Is hier de
psychoanalytica, de vrouw, de moeder of de dichter aan het woord?
Ze heeft dus geen verklaring! Ze heeft alleen maar - bijna medische of psychologische - klachten
die alle verband houden met dat onbegrepen warmteverlies. Niets van haar vertrouwde 'ik' werkt
meer zoals vroeger: dingen die warmte vasthouden (dekens), die warmte geven (de loeiende
kachel), de geliefde partner ('de warmste van ons tweeën').
Maar zou de verklaring wel
van buiten komen? Houdt haar verlies - dat haar doet
rillen en huiveren - misschien verband met iets
binnen ín haar? Je zou het wél zeggen:
het rillen en huiveren van innerlijke emotionele koude wekt bij haar de indruk dat de dood
dichtbij is: 'alsof ik oog / in oog stond met de dood' (regel 10-11). 'Wat ook zo was' (regel 13).
Met die nuchtere observatie moet de lezer het voorlopig doen! Maar anderzijds hoort hij haar
ook zeggen dat er 'een aanzienlijke afstand' is tussen haar en de dood! Wat is er écht
aan de hand? Het is niet de kou alléén! Niet het lege huis alléén! Niet de dood alléén!
Wat dan wél?
EEN VIERDE VOORSTEL: ANGST VOOR EEN LEGE TOEKOMST?
Het hangt allemaal met elkaar samen. Er moet één isotopie zijn die alle genoemde thematische
aspecten bij elkaar houdt. Daarom is het ook zo'n 'strak' gedicht! De tentatief overwogen
isotopieën moeten, als je die met elkaar in verband brengt, een homogene betekenis opleveren.
De deel-isotopieën moeten alsnog door de lezer aaneen gekoppeld worden. Het is de lezer die
het gedicht moet 'maken'!
Een laatste voorstel dan. Dat gaat uit van de plaats en de functie van de witregel (regel 12).
Vlak voor en vlak na die witregel - witregels staan er nooit voor niks! - gaat het over de dood.
In totaal drie maal! Maar de volgorde en de opgebouwde samenhang zijn verschillend.
Eerst valt op (in regel 11) de aarzelende inzet van het thema 'de dood' via de techniek van de
personificatie: '... alsof ik oog in oog stond met de dood'. Zo'n constructie met 'alsof ...'
drukt altijd iets uit wat niét écht zo is! Dat klopt ook wel: 'de dood' is geen 'persoon'.
Dan komt de witregel die je als lezer zelf naar eigen behoefte kunt 'duiden'. Het gedicht
leek met regel 11 voltooid. Je kunt even doen alsof je regel 13-16 nog niet hebt gezien.
Dan echter overvalt de dichteres je met een
doorstart. Als lezer voel je de schrik die
de 'ik' moét voelen: door het verlies dat haar onverwacht trof, kreeg ze het angstige gevoel
dat het leven voor haar ineens ophield. Kinderen weg, in de emotionele kou komen te staan,
de eenzaamheid naast haar man. De huiver grijpt haar bij de keel: 'oog in oog met de dood'!
Maar gelukkig, lijkt ze te suggereren, het is maar 'alsof'!
Maar dan realiseert ze zich - en de dichter markeert dat
met die witregel - dat het
wél écht is! Als gevolg daarvan corrigeert ze haar keus voor het woord 'alsof' (regel 10). Eerst
zegt ze dat de confrontatie met de dood niét reëel is. Enkel een beeld! Een angstbeeld?
Maar onmiddellijk daarna (regel 13) voelt ze het anders: de dood betekent wel degelijk haar
'realiteit'! Dat is de opbrengst van het nadenken - van de 'ik' - als je de witregel serieus
neemt: haar 'verlies' betekent voor haar wel degelijk de 'dood'.
En vanaf hier blijft dié realiteit het winnen. In de regels 13-16 gaat het over een ontmoeting
tussen de 'ik' en 'de dood'. Daar wint de koele
observatie het van het angstige
beeld. De locatie van de die ontmoeting wordt genoemd: beiden, de 'dood' en de
'ik', staan ze 'op een dijk' (regel 14). Een huiveringwekkende confrontatie.
Maar tussen de 'ik' en 'de dood' was 'niets dan een aanzienlijke afstand' (regel 15-16).
'Afstand': een opvallend woord; het wordt bijna altijd in
ruimtelijke zin gebruikt. Maar
hier betekent het kennelijk méér, namelijk de afstand
in tijd tussen het 'nu' en het
moment van haar dood. Dat zal, bedenkt ze, nog heel lang duren: 'aanzienlijke afstand'.
Al die tijd zal ze zich emotioneel verkleumd voelen. Geen warmte, geen doel. Altijd 'oog /
in oog (...) met de dood'? De 'leegte' en de 'aanwezigheid' beide! Dood én niet-dood
tegelijk?
CONFRONTATIE
Wat betekent hier de 'ik' oog in oog met 'de dood'? Wat betekent die 'aanzienlijke afstand'?
Misschien de volgende samenhang tussen de uitgeprobeerde isotopieën?
De 'ik' staat op een keerpunt in haar leven. "Ineens": ze herkent zichzelf nauwelijks meer.
Als ze terugkijkt naar het verleden, weet ze dat ze altijd een gelukkige vrouw was die
'warmte' gaf en ontving. Haar man, haar kinderen, haar werk. Maar de eerste was ineens
van haar vervreemd. De kinderen waren het huis uit. Dat voelt nu als leeg aan: 'de warmste
van ons tweeën', 'de kinderen', de 'dekens', 'de kachel' staan symbool voor alles wat er in
dat leven van vroeger nu 'ineens' 'verloren' is. De vrolijke drukte van een gezin, de
gezelligheid rondom de kachel, de intimiteit van een slaapkamer: ze is het ineens allemaal
'kwijt'. Dat voelt als 'dood' aan.
Die confrontatie gaat diep! Niet alleen is aan het verleden een einde gekomen. Ook de
toekomst is - op dit onverwachte keerpunt - leeg. Niet dat de dood op de loer ligt.
Integendeel: ze heeft nog een half leven voor zich. En dat is nu juist het bedreigende: de
dood heeft haar niet alleen haar verleden afgenomen. Door het verlies van haar
warmtekracht - in zich en rondom zich - lijdt ze kou bij het perspectief dat ze objectief
gezien nog lange tijd - "een aanzienlijke afstand" - te leven heeft in totale eenzaamheid.
De Dood is de enige die nog binnen haar horizon valt, hoe ver zo ook kijkt langs die -
kale en koude - dijk! Emotionele kou.
Die 'aanzienlijke afstand' tot de dood is dus voor de 'ik' geen geruststelling. Er ligt een
toekomst voor haar die altijd even leeg zal blijven als haar
heden 'ineens'
is geworden. En dat brengt haar tot die koele observatie dat er niets - meer - is tussen
haar en de dood dan 'een aanzienlijke afstand'. Zo vol warmte als haar verleden was, zo
'koud' en 'leeg' zal haar toekomst zijn. Dat is het wat ze zich 'ineens' realiseert. Een
somber gedicht. Haar vroegere leven is plotseling, grondig en definitief veranderd. Ze rilt
en huivert van die koude leegte. Tegelijk beseft ze dat dat haar toekomst zal zijn: altijd de
dood in haar vizier. Een verklaring voor het warmteverlies heeft ze niet écht. Hoop op een
blije toekomst spreekt er al evenmin uit. Haar verleden is 'ineens' weg. Haar 'aanzienlijke'
toekomst is uitzichtloos. Haar heden herkent ze niet. Is dat misschien ècht 'dood' zijn?
****
[*] Isotopie is de aanduiding voor de
verzameling termen die in een tekst samen - letterlijk of metaforisch - verwijzen naar een
bepaald werkelijkheidsgebied en daarmee een homogene lezing van de tekst mogelijk
maken. Ook wel
woordveld genoemd.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23
93
Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94
Esther Jansma - Raam in de lucht
95
Leo Vroman - Jeldican en het woord
96
Marc Tritsmans - Vermeer
97
Gust Gils - een minnend paar
98
Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99
J. Slauerhoff - Dit eiland
100
Hans Kloos - Panta rhei