28 december 2007
Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
* Een bespreking door Joop Leibbrand *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Vooraf
'Klassiekers' is zoals bekend opgezet als een serie besprekingen van gedichten van na 1880,
het jaar waarin we nog altijd de moderne letterkunde laten beginnen. In extra afleveringen
willen we toch ook zo af en toe, mede afhankelijk van de respons, aandacht gaan besteden
aan ouder werk. Als eerste een gedicht van Constantijn Huygens, geschreven in 1634. Niet
schrikken van het zeventiende-eeuwse Nederlands, het is toegankelijker dan op het eerste
gezicht misschien lijkt.
Juist deze maand maakte de DBNL (digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren) de
integrale tekst beschikbaar van
Een
onwaerdeerlycke Vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria Tesselschade en anderen
door J.A. Worp (1918). Zeer aanbevolen voor wie zich verder in de onderlinge verstrengeling
van leven en werk van met name Hooft, Huygens en Tesselschade wil verdiepen.
De reacties op Lambert Wierenga's bespreking van
Ineens van
Anna
Enquist (Klassiekers 101) nemen we mee in de volgende aflevering.
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2125 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 16 januari 2008. Karin Doornik bespreekt dan
Brood op de wereld van Guillaume van der Graft.
Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter,
ende van haren Mann, stracks daer aen dood gebloedt.
DE groener vrucht als rijp, de rijper vrucht als wrangh,
De voor-vrucht in de ry van Tessels echte planten,
Verrotte van quaed vier: God raepte s' uyt het sand, en
Verhief 'er 't beste van in 't heilige gedrangh
Van d'onverderflickheit. De Moeder weeck den dwangh
Van 't eewige beschick: haer worst'len was geen kanten
In 's Hemels wederwill; sy dreef maer by de kanten
In beider oogen zee: Maer 't werd den Vader bangh,
Van 's Moeders wee en 't sijn; en, omse bey t'ontvaren,
Verdiept' hy 's Moeders zee, met droppen eerst, doen baren,
Bloedt-baren; en gingh t'zeil, van Tessel opwaert aen;
En bloede noch dit woord van uyt de laeste stuypen;
Het bloed van vrienden kruypt daer 't niet en weet te gaen;
't Bloed van een Vader springht daer 't niet en weet te kruypen.
Constantijn Huygens (1596 -1687)
Uit: F.L. Zwaan - Voet-maet, rijm en reden, Bloemlezing uit Huygens' Gedichten, Tjeenk Willink, Zwolle, 1969²
EEN STERFGEVAL IN DE ZEVENTIENDE EEUW
Op 28 mei 1634 geeft Pieter Cornelisz. Hooft (1581-1647) vanuit het Muiderslot, waar hij sinds
1609 resideert als drost van Muiden en baljuw van 't Gooi, zijn vrouw Leonora, die in
Amsterdam moest zijn, ter doorbezorging een brief mee voor Maria Tesselschade met een
uitnodiging om snel weer eens te komen logeren.
'Tesseltje, leef je noch,'had hij
opgewekt geschreven, niet wetende dat haar zojuist een ramp was overkomen. Binnen
één dag verloor zij zowel haar oudste dochtertje, de negenjarige Teetgen, als haar
echtgenoot: het meisje stierf aan de pokken, Allard Crombalch aan een bloedspuwing, die
door de arts werd toegeschreven aan zijn overmatig verdriet - maar in werkelijkheid
waarschijnlijk aan een te grote dosis kalmeringsmiddelen.
Aan de gemeenschappelijke vriend Constantijn Huygens (1596 -1687), die samen met zijn
vrouw Suzanne van Baerle Tesselschade nog in augustus 1633 in Alkmaar bezocht had,
geeft Hooft in een brief van 30 mei de schrijnende bijzonderheden:
... dat Crombalchs oudste dochtertje, een voeglijk meisken, krank aen
de poxkens, op de moeder verzocht had, de koeken, die na zijn overlijden en 't gebruik
aldaer, den buirkinderen zouden verschenen zijn, bij zijn leven uit te deilen. 'T welk
geschiedt zijnde, zeid' het, als thans niets meer te doen hebbende, gereedt te zijn tot
sterven, ende gaf vier uiren daerna zijnen geest. De vaeder had het uit der mate bezint,
en betreurd' het nae gelange. De arts Paew, zoon van den Leidschen voorleezer in die
wetenschap, bestondt hem eenen drank van moedtzalf in te geven, die hem opbrak met
een' weldighe zucht en eenig bloedt, daer voorts heele plassen op volghden en vloeiden
tot hij doodt was; zulks zij beide op gistren zouden begraven werden. Ende om het
treurspel te deerlijker te maeken, stort dus een' smak van ramp op 't murwe [= gevoelige]
hart van Tesseltjen. Zoo U Ed. Gestr. zich verwaerdight, de versleghene met een letterken
van troost te bezoeken, ik verzeker mij, ten aenzien van de hooghachtbaerheit, waarin zij
U Ed. Gestr. houdt, dat het geen verlooren werk van barmhartigheit wezen zal, om deze
droefheit ietwes af te spelen.
Huygens antwoordt op 3 juni 1634. Hij acht het beter niet te schrijven:
'De versche
wonde heeft Tesseltjen te ongevoeligh, mij te gevoeligh gemaeckt, haer om te hooren, mij
om te konnen spreken.' Hooft moet maar de spits afbijten, schrijft hij. (Toch reageert hij
betrekkelijk snel, want het gedicht is van 13 juni 1634. Hij stuurt het - met een brief voor
Tesselschade - toe aan Hooft, die het bij een bezoek aan Alkmaar uiteraard aan
Tesselschade laat lezen.)
Hooft en Huygens schuiven dus aanvankelijk de moeilijke taak om gepaste troostwoorden
te vinden naar elkaar toe, maar Tesselschade doorbreekt zelf met een brief aan Hooft (blijkens
een aantekening ontvangen op 15 juni) hun stilte:
... siecktens eygenscap, stervens schielyckheyt en andere
omstandigheeden, die ick met wenende ziel, benaudt herdt en treurenden gheest, doch
drooge oogen hebbe verdraegen, geen andere gedacht de sin beslaende in soo droeven
treur nacht, van myn siel-son berooft, als herdencken aen myn beminde, en ach! alte
liefhebbenden Adelaert, die welck als op wieken van lieffde syn Tadea ten Heemel naer
gestegen.
Deze uiterste beproeving door het wrange noodlot had haar dus diep bedroefd, maar zij had
die in onderwerping aan Gods wil en zonder tranen te vergieten, gedragen. Hooft schreef
haar terug hoezeer hij haar bewonderde om de stoïsche zelfbeheersing: zij had het onheil
beter weten te verduren, dan hijzelf het verlies van zijn eerste vrouw en hun kinderen, tien
jaar tevoren.
HET GEDICHT - VAN TESSEL OPWAERT AEN
Huygens begint zijn klinckdicht (sonnet) met een qua beeldspraak even opmerkelijke als
precieze beschrijving van het gestorven dochtertje: zij is als oudste kind de eerste vrucht
die de echte planten, de huwelijksplanten, droegen, maar met haar negen jaar was zij
weliswaar geen heel klein kind (niet
wrangh) meer, maar ook nog lang niet
volwassen (
rijp). In het begin van regel 3 wordt de doodsoorzaak genoemd: ze werd
verteerd (
verrotte) door een kwade koorts (
vier = vuur). De beeldspraak heeft
daarbij betrekking op perenvuur, een bacterieziekte bij fruitbomen en siergewassen die via
de bloesems ontstaat en tot versterf leidt. Direct daarop volgt de eerste troost: God heeft
de vrucht (s') uit het zand opgeraapt, het meisje van de aarde weggenomen, en de ziel
(
't beste) in de hemel opgenomen, waar het door de vele
onverderflijken
(= zaligen) die er daar zijn, een heel
gedrangh moet zijn.
Vanaf r. 5 geeft Huygens dan de zo verschillende reacties van de ouders weer. De moeder,
hoe ze ook moest huilen (
beider oogen zee), legde zich bij het goddelijke besluit
(
beschick) neer, zij kwam niet tegen de kennelijke wil van de hemel in verzet
(
wederwill). Voor de vader was het echter moeilijker, beweert Huygens, want die had
naast zijn eigen verdriet (
wee), ook te maken met het grote verdriet van zijn vrouw, en
daartegen was hij zo weinig bestand dat hij het wilde ontvluchten (
ontvaren). Dat
wegvaren kan in het beeld letterlijk genomen worden door de zee van tranen die hij huilde,
nog verdiept door de golven bloed die hij daarop (
doen = toen) opgaf. De zeeman die
hij was, voer als het ware voor een laatste keer weg van Tessel, de vlootbasis vanwaar hij
vaak vertrokken moet zijn. Nu ging hij
opwaert aen (= naar boven) weg van Tesseltje.
Dat hij uit liefde gestorven is, is beslist een nieuw element van troost, evenals het feit dat ook
zijn bestemming de hemel is.
In de laatste drie regels maakt Huygens met een variatie op een bekende uitdrukking ('het bloed
kruipt waar het niet gaan kan') duidelijk wat de diepere betekenis was van Crombalchs hevige
bloeden: niet zozeer dat de genegenheid van familie en vrienden (de oorspronkelijke betekenis
van vriend is bloedverwant) zich nooit verloochent, maar dat de vader kind en vrouw zo lief
heeft, dat zijn bloed niet kan kruipen, maar moet springen.
TESSELSCHADE
Maria Tesselschade Roemersdr. Visscher (1594-1649) was de dochter van graanhandelaar
en dichter Pieter Roemer Visscher, die haar de bijzondere tweede naam gaf als herinnering
aan de financiële verliezen die hij drie maanden voor haar geboorte had geleden door een
scheepsramp bij Texel.
Dankzij hun geletterde vader kregen zij en haar oudere zusters Anna en Geertruyd een
veelzijdige opvoeding, gericht op ontplooiing van zoveel mogelijk talenten en vaardigheden
(zij bekwaamden zich in dansen, paardrijden, zwemmen, musiceren, tekenen, borduren,
boetseren, schoonschrijven, glassnijden, dichten, zij leerden hun geschiedenis en kenden
hun talen) waardoor zij in het ouderlijk huis aan de huidige Geldersekade in Amsterdam
de spil werden van de ontvangsten die daar werden gegeven en waar onder anderen
Bredero, Vondel en Hooft welkom waren. Over 't Saligh Roemerhuys, dat min of meer als
voorbeeld diende voor Hoofts latere Muiderkring, schreef Vondel:
Zijn vloer betreden werdt,
zijn drempel werd gesleten
Van schilders, kunstenaers,
Van Sangers en poëten.
In 1623 trouwde Tesselschade met Allard Crombalch, verwant aan Alkmaarse regenten
en van beroep 'zeeofficier'. Meer is er eigenlijk niet over hem bekend, ook niet of hij
wellicht kunstzinnig geïnteresseerd was. Ze hebben elkaar mogelijk leren kennen omdat
Roemer Visscher een buitenplaats in de noordelijk van Alkmaar gelegen Wieringerwaard
bezat. (Door haar huwelijk met de plaatselijke dijkgraaf zou Anna vanaf 1624 zelfs lange
tijd vast in de Wieringerwaard woonachtig zijn.)
De huwelijkssluiting werd begeleid door gedichten van Hooft, Vondel en Constantijn
Huygens, die inmiddels deel was gaan uitmaken van de literaire kring om Hooft en menig
gedicht aan Tesselschade zou wijden. Zij vestigden zich in Alkmaar (in de Langestraat) en
kregen drie kinderen: Taddea (Teetgen, Teetje), gedoopt op 19 februari 1625, Maria
(1628-1647) en een derde dochtertje dat stierf kort na de geboorte in april 1631.
Zij bleef een vriendschappelijk contact onderhouden met Hooft, vooral nadat deze na de
dood van Christina van Erp (in 1624, kort nadat ook al drie van zijn kinderen waren
gestorven) in 1627 was hertrouwd.
Vanaf die tijd zou zij - samen met haar gezin - vrijwel elke zomer logeren op het Muiderslot,
en daar zeer gewaardeerd worden door de vriendenkring van geleerden, dichters en
andere kunstenaars die Hooft daar regelmatig bijeenbracht.
Na de dood van haar man en dochtertje bleef Tesselschade Hooft en zijn gezin bezoeken,
maar voortaan alleen of met haar enig overgebleven dochter Maria.
***
Bronnen:
F.L. Zwaan -
Voet-maet, rijm en reden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1969²
Mieke B. Smits-Veldt -
Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap, Walburg pers, Zutphen, 1994
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23
93
Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94
Esther Jansma - Raam in de lucht
95
Leo Vroman - Jeldican en het woord
96
Marc Tritsmans - Vermeer
97
Gust Gils - een minnend paar
98
Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99
J. Slauerhoff - Dit eiland
100
Hans Kloos - Panta rhei
101
Anna Enquist - Ineens
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met
voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).