19 maart 2008
C.O. Jellema - Aurora borealis
* Een bespreking door Bettine Siertsema *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Vooraf
Naar aanleiding van de vorige aflevering schreef Rim Sartori: 'Mooie interessante bespreking
door Ivan Sacharov van Côte d'Azur van H.A. Gomperts.' Over het woord zevelingen,
waarvan Sacharov vermoedde dat het weleens een zelfbedacht woord zou kunnen zijn, merkt
zij op: 'Bij mij weten is dat een onkruid, een hardnekkig onkruid zelfs, dat bij aanraking
onderhuidse jeuk geeft. Dus geen verzonnen woord.'
Het is een betekenis die perfect in de tekst past. Edoch: in het WNT staat het niet, en ook in
plantengidsen (o.a. Elseviers Nieuwe Plantengids) is zevelingen niet te vinden.
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2210 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 16 april 2008. Lambert Wierenga bespreekt dan
Enkele andere overwegingen van Rutger Kopland.
AURORA BOREALIS
Hoe het begon - een haast onmerkbare verkleuring,
een wolkje als eens mans hand, maar nu niet
opstijgend uit de zee, van ergens in de lege,
ijskoude poolnacht boven ons tussen de sterren
5 een plek. We keken ervan op, zo anders dan
boven de wegkruisingen thuis een neongloed,
en vreemd, we zagen er de sterren nog doorheen.
Snel groeide dan die vlek uit tot een brede,
de ruimte overspannende geelgroene band,
10 zich rekkend, omkrullend, wentelverwaaiend
een baaierd die geen licht gaf, het licht was,
een stralensluier die het duister duister liet.
Het greep ons aan, kan ik je wel vertellen, wij,
in onze warmste kleren, hielden het niet uit
15 te blijven staan en, liggend op het achterdek
- het schip voer rustig tussen kust en eiland door -
dachten 'zijn is de ziel, is naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht' misschien.
Noem het ontzag voor wat we zagen voor het eerst,
20 een beetje werden we toen kind, voor ons gevoel
was onze aarde weer plat vlak waarop de zee,
de rotskust en het eiland hoedend overwelfd
door weer de hemeltent, een koepel die het schijnsel
doorliet van gene zij, en wat we wisten over
25 geladen deeltjes afgestoten door de zon,
over de poolmagneetkracht, gloeiend dampkringgas,
werd spoorloos in ons kijken uitgewist. Nee, foto's
heb ik niet willen maken, want geen sluiter, denk ik,
hoe lang ook open vangt een lichtgeboorte zo
30 in den beginne op, je zult het met het woord
zelf moeten doen en dan je voorstelling daarbij,
al deelt niemand die met je, maar geloven: dat
geeft van een soort van eeuwigheid een glimp. - Tijd vliet,
hier wordt het lente nu, narcissen bloeien, knoppen
35 van de kastanje zwellen; soms bewaart één uur
een lengte levenslang, zoals daar 's nachts aan dek
dat stervenskoude onder ontelbare sterren
met toen dat licht, en wij, ziende hoe het begon.
C.O. Jellema (1936-2003)
Uit: Verzameld werk. Gedichten, Bezorgd door Gerben Wynia;
Querido, Amsterdam 2005
Oorspronkelijk in Stemtest, Querido, Amsterdam 2003
Wie wel eens foto's van het noorderlicht (in het Latijn:
aurora borealis) heeft gezien, kan
zich goed voorstellen wat voor overweldigende ervaring het is dat in werkelijkheid te zien. Jellema
beschrijft het in dit gedicht: het verschijnsel zelf en het aanschouwen ervan, maar vooral de
emoties die het teweeg brengt. Hij doet dat in regels zonder rijm, maar wel met binnen-assonanties
en alliteraties. In de beginregels worden zo
begon en
wolkje op elkaar betrokken,
in r.22-23
hoedend en
koepel, en in r.29-31 (licht)
geboorte op
woord
en
voorstelling. Het einde van de versregels wordt dus niet gemarkeerd door rijm, en door
nogal wat enjambement nog verder verdoezeld. De regels bestaan grotendeels uit zesvoetige
jamben, maar met zoveel afwijkingen, dat er eerder van een ritme dan van een duidelijk metrum
sprake is.
Het gedicht heeft dus een sterk spreektalig karakter, wat ook blijkt uit zinsneden als 'We keken
ervan op,' (r.5, dat zowel figuurlijk als letterlijk begrepen kan worden en in het laatste geval juist
minder spreektalig is), 'kan ik je wel vertellen' (r.13), 'Noem het ontzag' (r.19) en 'Nee, foto's heb
ik niet willen maken' (r.27). Er is een ik die aan een ander, een jij, vertelt over een belevenis die
hij nog niet lang geleden heeft meegemaakt, samen met een onbekend blijvende derde. Het is
opvallend dat de 'wij' in het gedicht niet alleen diezelfde gebeurtenis meemaken, maar ook één
zijn in de emotionele en reflectieve reacties daarop: 'Het greep ons aan', 'wij hielden het niet uit
en dachten' (al wordt daar aarzelend een 'misschien' aan toegevoegd), 'een beetje werden we
toen kind'. Slechts het besluit geen foto's te maken, komt alleen voor rekening van de ik.
Maar naast de spreektalige uitdrukkingen die horen bij de gesuggereerde gesprekssituatie zijn
er ook ongewone grammaticale, typische Jellema-constructies, als 'tussen de sterren een plek'
(r.4-5), 'van eeuwigheid een glimp' (r.33) en het mooi allitererende 'een lengte levenslang'(r.36).
Nog opvallender is de archaïsche uitdrukking in r.2 'een wolkje als eens mans hand'. Het is
een citaat uit de bijbel, 1 Koningen 18:44, waar de knecht van de profeet Elia in een periode
van langdurige droogte en nadat de Baälspriesters op de berg Karmel zijn gedood, bericht dat
hij 'een wolkje als eens mans hand' (NBG-vertaling uit 1951) ziet opstijgen uit zee, wat het begin
is van een hevige regenbui die een einde aan de droogte maakt. Dit taalregister wordt opnieuw
gehanteerd in r. 30, waar met 'in den beginne' de openingszin de bijbel wordt geciteerd met het
begin van het scheppingsverhaal. Het eerste wat geschapen wordt, is het licht en de dichter
(met zijn metgezel) heeft het gevoel getuige te zijn van dat allereerste begin, de geboorte van
het licht. Het wonderbaarlijke schouwspel, beschreven in r.1-12, geeft hem het gevoel een glimp
op te vangen van de eeuwigheid, even in contact te komen met de transcendentie. De grenzen
van het ik vervagen, de scheiding tussen ik en de rest van de kosmos lijkt even opgelost. Het is
een gevoel dat als (onvervuld) verlangen vaker voorkomt in de poëzie van Jellema. In de regels
waarin dit uitgesproken wordt, citeert hij in verkorte vorm de laatste strofe van een sonnet van
Ed. Hoornik, 'Op school stonden ze...' uit de bundel
Het menselijk bestaan (1952). Het
gaat over de werkwoorden hebben en zijn, die in de eerste strofe ook met tijd en eeuwigheid in
verband worden gebracht. Het laatste terzet luidt:
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.
Jellema laat het luisteren en wijken weg, en ook het kind worden, maar die notie neemt hij wel
in het vervolg op: de kinderlijke voorstelling van de hemel als een koepel over het platte vlak
van de aarde is weer even de zijne geworden, en hij ervaart het geheimzinnige poollicht als
afkomstig van de andere kant van die koepel, 'van gene zij'. Natuurlijk heeft hij weet van de
natuurkundige verklaring van wat poollicht is (r.25-26), maar wetenschappelijke kennis en
rationele verklaringen hebben tegenover de indrukwekkende ervaring hun relevantie verloren.
Ze staan als het ware op hetzelfde niveau als de afgewezen foto's, die in hun weergave alleen
aan de oppervlakte blijven en de essentie niet raken. De assonantie tussen
spoorloos
en
foto's onderstreept de irrelevantie van foto's. Maar meer dan op dat primitieve
wereldbeeld slaat het gevoel weer een beetje kind te worden op de intense verwondering.
Die kinderlijke verwondering is misschien een betere houding om de werkelijkheid mee
tegemoet te treden dan de volwassen zucht tot verklaren en drang tot verbeteren. De
formulering herinnert aan het advies van Jezus: 'wanneer gij u niet bekeert en wordt als
de kinderen, zult gij het Koninkrijk der Hemelen voorzeker niet binnengaan.'
(Matteüs 18:3).
In het scheppingsverhaal valt het woord samen met de daad van het scheppen: 'God zeide:
Er zij licht; en er was licht.' Het scheppende woord is natuurlijk ook het gedicht, het woord
dat een hele voorstelling oproept. De eerdergenoemde assonantie van
geboorte,
woord en
voorstelling versterkt dit. Je zult het - als lezer - met het gedicht
moeten doen en de voorstelling die je daarbij maakt. Maar dat zinnetje in r.30-31 is
dubbelzinnig, want de dichter kan hier ook zichzelf toespreken, waarbij 'doen' dan tegelijk
dichten betekent, en 'zelf' behalve op het woord ook op de dichter kan slaan. Deze
passage maakt 'Aurora borealis' mede tot een poëticaal gedicht.
De voorstelling die je je maakt, is heel individueel. Suggereert Jellema met de koppeling die hij
dan maakt , 'maar geloven: dat geeft...' dat het geloof ook iets is wat maar met weinigen, of zelfs
met niemand gedeeld kan worden? Het is in elk geval een heel voorzichtig geformuleerd geloof:
niet alleen geeft het slechts een glimp, het is ook maar een glimp van een sóórt van eeuwigheid.
Het drukt onzekerheid uit, het is alsof de dichter niet weet wat hij ermee aanmoet en zich haast
geneert voor het geloof dat het zien van het noorderlicht bij hem oproept.
Na een gedachtestreepje wordt de aandacht verlegd naar het hier en nu, ingeleid door het opnieuw
wat archaïsch aandoende 'Tijd vliet'. Van de ijskoude poolnacht komen we in een Hollandse lente,
ongetwijfeld gesitueerd in zijn Groningse tuin van Oosterhouw, waar hij zo intensief van genoot
(zie 'Seizoenen op Oosterhouw' in zijn
Verzameld werk. Essays, Querido 2005,
p.161-181). Maar de herinnering aan het noorderlicht met al de sensaties die het teweegbracht,
doordringt blijvend dat hier en nu, de herinnering aan de glimp van de eeuwigheid de snel vlietende
tijd. Al duurde het schouwspel maar een uur, de dichter zal het levenslang met zich meedragen.
Behalve de tegenstelling tijd en eeuwigheid, speelt in de laatste regels ook de tegenstelling dood
en leven mee: dat het koude nachtelijke uur met 'stervenskoude' wordt aangeduid is slechts
schijnbaar spreektalig. Tegenover die stervenskou staat de lente met haar zwellende knoppen,
symbool van nieuw leven. En daarvan heeft de dichter dan het allereerste begin gezien, de
geboorte van het licht. Doordat begin- en eindwoorden van het gedicht identiek zijn, krijgt dat
aspect van allereerst begin alle nadruk.
Volgens een mededeling van de dichter en Rilke-vertaler Atze van Wieren is 'Aurora Borealis'
in opdracht geschreven. In de winter van 2001 maakte Jellema de bootreis om de Noordkaap
samen met de schilder Ben Rikken op uitnodiging van een bevriende reder. Als tegenprestatie
zouden zij een gedicht en een schilderij leveren. Het schilderij ken ik niet, maar als ik de
opdrachtgever was geweest, zou het gedicht mij tot grote dankbaarheid stemmen.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
75
Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76
Co Woudsma - Thuis
77
Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78
Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79
Harmen Wind - Remedie
80
Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81
M. Vasalis - De idioot in het bad
82
Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83
A. Roland Holst - De ploeger
84
Hein Walter - Hestia
85
Paul van Ostaijen - Het dorp
86
Herman de Coninck - Voor mekaar
87
Hans Andreus - Liggen in de zon
88
Paul Marijnis - Bij een boeket
89
Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90
Chrétien Breukers - Een bericht
91
Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92
Leo Herberghs - Psalm 23
93
Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94
Esther Jansma - Raam in de lucht
95
Leo Vroman - Jeldican en het woord
96
Marc Tritsmans - Vermeer
97
Gust Gils - een minnend paar
98
Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99
J. Slauerhoff - Dit eiland
100
Hans Kloos - Panta rhei
101
Anna Enquist - Ineens
102
Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103
Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104
H.A. Gomperts - Côte d'Azur
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met
voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).