15 oktober 2008
Gabriël Smit - Omdat wij zijn
* Een bespreking door Karin Doornik *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Vooraf
Allereerst komen we nog even terug op aflevering 110, de bespreking van 'Het leven in juni' van Marjoleine de Vos. In het Vooraf bij nummer 111 namen we al de reactie op van Rob Wolters, die in 'de interventie van de externe verteller' de benadrukking zag van de eenzaamheid van de ik-figuur. Daarna reageerde ook Bettine Siertsema nog. Zij schrijft: 'Ter aanvulling op de bespreking van Lambert Wierenga van het gedicht 'Het leven in juni' van Marjoleine de Vos, wil ik een intertekstuele verwijzing suggereren voor r.6-7, die ook een licht werpt op de strekking van de laatste strofe. Volgens mij moeten deze regels gelezen worden tegen de achtergrond van het tweede scheppingsverhaal in Genesis 2, met name de verzen 8, 18-23 (NBV-vertaling): 'God, de Heer, legde in het oosten, in eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. (...) God, de Heer, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. Toen vormde hij uit de aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste.' Dan schept God uit de rib van de mens een vrouw, en die beantwoordt dan eindelijk aan de bedoeling.
Tegen deze achtergrond is de formulering 'want niets van al wat ik waarneem noemt mij' minder raadselachtig. Het gegeven dat in de eerste strofe de zwartkop roept om een vrouwtje, terwijl die in de derde strofe 'zingt', is daarmee in overeenstemming.
Deze intertekstuele verbinding zou een ondersteuning zijn van Lambert Wierenga's interpretatie van van de derde strofe, en pleit tegen de visie van Rob Wolters dat de eenzaamheid in de derde strofe het overheersende thema is.
Lambert Wierenga laat weten: 'De finale belichting vanuit het perspectief van de alwetende verteller geeft de informatie dat de ‘ik’ en de ‘hij’ in elkaars nabijheid zijn, in elkaar wereld leven, met dezelfde activiteit bezig zijn. Je zou zelfs kunnen veronderstellen dat de ‘ik’ schrijft over de wereld en het leven, en dat de ‘hij’ dat thema – ook en tegelijk – met haar ‘deelt’. Vandaar m’n voorstel van een ‘cyclische structuur’ van het gedicht.
Ik hou het bij het begrip ‘marginaliteit’, een besef dat de ‘ik’ van jongs af heeft ervaren. ‘Eenzaamheid’ duidt op een gemis, een trauma zou je bijna zeggen, dat ongelukkig maakt. Daarvan vind ik de sporen niet, noch qua taal en stijl, noch in de m.i. serene sfeer die het gedicht karakteriseert. Maar dat kan ik natuurlijk niet harder maken dan ik al getracht had te doen, 'ongeschreven' inderdaad.
De suggestie van Bettine Siertsema is erg aanlokkelijk: talrijke thematische elementen uit haar voorstellen suggereren inderdaad een analogie met het bijbelse scheppingsthema. De uiteindelijke complementariteit van de ‘ik’ en de ‘hij’ wint het, zeker per suggestie, van de individuele marginaliteit die de ‘ik’ lange tijd heeft ervaren.
Mijn bezwaar richt zich echter op de term 'intertekstuele verwijzing'. Liever zou ik de potentiële relatie met het scheppingsverhaal als ‘thematische analogie’ of ‘analogische receptie’ willen aanduiden. Want strikt genomen is er van ‘concrete verwijzing via talige elementen’ geen sprake. En m.i. houdt de definitie van ‘intertekst’ in dat van literair hergebruik alleen kan worden gesproken op basis van ‘geleend materiaal’: woorden, beelden, figuren, tekststructuren. Het zijn volgens mij niét het thema of de tekst van het gedicht die voldoende aanleiding geven tot het voorstel; het gaat hier om de individuele receptie, gerealiseerd door een lezer die beschikt over bijbelkennis én over de 'gave der analogie', zoals Roland Barthes voor een dergelijke lectuur als voorwaarde signaleerde. Weer dus: 'ongeschreven'.
*****
Naar aanleiding van de bespreking van Guillaume van der Grafts 'Vogels en vissen' merkte Elly Woltjes op dat in de bespreking de tegenstelling vloeiend - niet vloeiend die in het gedicht wordt gemaakt onderbelicht is gebleven. Graag zag zij dit nader toegelicht.
Wilma van den Akker heeft zich er nog eens over gebogen en schrijft:
'Die tegenstelling ligt wel zo'n beetje aan de kern van dit gedicht, lijkt mij. De dichter beschrijft de beelden van mensen uit negentienhonderd als vogelachtig, met houterige (niet vloeiende) bewegingen. Maar dit is slechts de buitenkant: hun hart is veel vloeibaarder dan dat van de mensen uit zijn eigen tijd. Deze mensen bewegen zich meer als vissen: wel vloeiender, maar van binnen zijn zij hard.
Het bekijken van de beelden uit negentienhonderd vergelijkt hij daarmee met een verblijf onder het ijs (niet vloeibaar). 'Dit bevroren paradijs' staat dan voor zijn huidige tijd, waarin men vloeiend beweegt, maar van binnen hard, misschien wel bevroren is. Er is dus sprake van een dubbele tegenstelling: van buiten hard - van binnen vloeiend (vloeibaar) en andersom. Toch moeten we deze tegenstelling, of vergelijking, niet te ver doortrekken, want Van der Graft komt uiteindelijk toch tot de conclusie dat vogels en vissen niet zo verschillend zijn: zij werden immers op dezelfde dag geschapen. De mensen kwamen later.'
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2290 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 19 november 2008. Joris Lenstra bespreekt dan
Code van Gerrit Achterberg.
Omdat wij zijn
Op dit grote lege vel wit papier
een enkele letter zijn, een vlugge
kleine krulstreep, bijvoorbeeld
een e, - en plotseling een onmetelijk
veld van ongeweten mogelijkheden,
gegevens tussen hemel en hel,
of soms eenvoudig niet meer
dan alleen maar: en..., met een
kleine, bedeesde leegte erachter
of een tot de uiterste verten
voldragen slotwoord: ik ben.
Een enkele letter, alsof een even
in de hoge nacht aangestipte ster
naar alle kanten vonken schiet,
een nieuwe melkweg wordt geboren,
een heelal van nooit geleefde
woorden, een borst vol vonken
of onverhoeds dichte, langzaam
dalende sneeuw van zwevend
ongeschonden licht, waarin
alle dingen aandachtig tot zichzelf
komen en zeggen: wij zijn.
Een enkele letter, - overal verten
ongekend, want ook hetzelfde
is altijd anders, als mensen
zijn, anders gesproken, verzwegen,
gegild, gefluisterd, gespuwd, gekust,
maar ongemerkt als de bladeren
aan een boom, niet te onderscheiden,
schaduw van gevaar, maar vol
even trillende, dichte oogleden
over een ritselend binnenlicht,
een geheimzinnige geborgenheid
voor kleine vogels en voor alles
wat voorzichtig zegt: ik mag zijn.
Een enkele letter: en niet weten
door wie geschreven, maar wel
weten hoe een grote hand
iets begonnen is dat een woord
moet worden, dat geboren wordt
naar een nog ongeweten, wijde
verte van levend spreken waarin
alles opengaat naar samen,
waar het woord terzelfder tijd
zijn enige, eigen antwoord krijgt:
je bent, omdat wij zijn.
Gabriël Smit (1910 - 1981)
Uit: Evenbeeld, Ambo, Baarn 1981
'Op dit grote lege vel wit papier' - de eerste regel van het gedicht 'Omdat wij zijn' van Gabriël Smit moet alle dichters en schrijvers wel aanspreken. Zo werd ook mijn eerste, spontane keuze uit het werk van Smits bundel
Evenbeeld beïnvloed door deze woorden. Ik werd echter op het verkeerde been gezet, want de dichter leidt ons een metafysische wereld binnen, waarover ik verderop wat meer wil vertellen. Eerst iets over de vorm van dit gedicht.
VORM
Zoals het in de bundel is afgedrukt, bestaat het ogenschijnlijk uit vier gelijke strofen met evenveel regels. Er is echter, bewust of onbewust, handig gebruik gemaakt van de bladspiegel: links staan drie strofen met elf regels, maar de derde heeft twee extra regels die op de rechterbladzijde staan. Dan volgt de vierde strofe met weer elf regels.
Gabriël Smit maakt gebruik van leestekens: komma’s en punten en gedachtestreepjes, maar er zijn eveneens enjambementen. Sommige daarvan kan ik duiden, andere lijken me gebruikt ter wille van de regellengte.
Bij herlezing van strofe 1 valt op dat in de eerste regel geen komma wordt gebruikt na ‘grote’ bij het vel papier, het is een nadrukkelijk ‘niets’ waaruit iets ontstaat, te beginnen met een enkele letter.
De afbreking na ‘onmetelijk’ in regel 4 is functioneel, onmetelijk loopt door in het wit, evenals ‘verten’ in regel 10.
In strofe 2 zijn ook twee mooie enjambementen te vinden: het ‘even’ aan het eind van de eerste regel haalt ook letterlijk even de vaart eruit en in regel 8 staat ‘zwevend’ ook mooi aan het eind.
In strofe 3 had ‘zijn’ uit regel 4 ook aan het eind van regel 3 kunnen staan, een voorbeeld van een afbreking waarvan de reden mij niet duidelijk is.
In de laatste strofe, regel 6, vroeg ik me af of de uitdrukking ‘geboren worden naar’ een dichterlijke vrijheid is.
Smit maakt ook gebruik van herhaling: ‘een enkele letter’ in regel 2 van de eerste strofe wordt herhaald in de eerste regel van de volgende strofen. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de dubbele punt: in de laatste of voorlaatste regel markeert dit leesteken een duidelijke bewering een ‘statement’: ‘ik ben’, ‘wij zijn’, ‘ik mag zijn’, en ‘je bent, omdat wij zijn”.
INHOUD
In de eerste strofe wordt er iets geboren, er begint iets en daarmee komen er tal van mogelijkheden, van een onmetelijk veld, hemel en hel, een leegte en als enorm contrast daarmee in de laatste regel een voldragen slotwoord, het statement ‘ik ben’.
De ‘e’ is schijnbaar toevallig gekozen, maar het is wel de e van de grote woorden hemel en hel, er kan ‘en’ van gemaakt worden met de bedeesde leegte erachter en tenslotte uitgebreid tot ‘ik ben’, dat gebeurt als je de letters sámenvoegt. De ‘e’ betekent pas iets als zij tussen andere letters staat.
In de tweede strofe zijn we in hoger sferen, letterlijk de ‘hoge’ nacht genoemd. Toch worden hier louter natuurkundige verschijnselen genoemd: het heelal, de sterren, vonken en het ongeschonden licht. Het heelal wordt vergeleken met ‘een borst vol vonken’, dus een besloten geheel, een eindig heelal met daarin de elementaire deeltjes, de zwevende moleculen van het ‘ongeschonden’ licht, allemaal samen het ‘wij’ in de laatste regel. En hier komen we bij de metafysica in de oorspronkelijke betekenis: er is niets of het moet bestaan in de samenhang met alles.
Na deze twee strofen, waarin niet zuinig wordt omgesprongen met grote woorden (hemel, hel, onmetelijk, sterren, de melkweg, het heelal) belanden we in de derde strofe op aarde, bij de mensen, de bomen en de vogels. Daar horen ook de menselijke geluiden bij, spreken, gillen, fluisteren, en menselijke handelingen als kussen en spuwen. Er wordt een intieme sfeer gecreëerd, dicht en geborgen. De bladeren zijn ongemerkt; ze zijn met zijn allen één. Het ‘ritselend binnenlicht’ is de bezieling van alle levende wezens.
In de slotstrofe komen we weer bij die enkele letter, de ‘ik’ en de ‘wij’ weten niet door wie die eerste letter is geschreven. Er is twijfel, niet zozeer aan het geloof maar wel aan wie God is ( een grote hand, r.3). En dan is er het ‘levend spreken’ (r.7) dat wellicht verwijst naar de bijbel, ook wel Gods woord of het levende Woord genoemd.
De ‘nog ongeweten, wijde verte’ in r.6 is het verlangen om deel uit te maken van een groter geheel: ‘alles opengaat naar samen’ (r.8).
Deze laatste regels maken dit gedicht voor mij religieus, volgens de etymologische verklaring van Lactantius:
religare is opnieuw binden, goed binden. Met hulp van religie probeert de mens zich te herverbinden met de ander en de wereld.
Om weer bij de eerste regel terug te keren: het gedicht gaat over schepping, het begin van een creatie, het begin van dit gedicht, maar ook de vraag naar het begin van alles en het verlangen naar zingeving van het bestaan.
Dit gedicht vertegenwoordigt de poëtica van Gabriël Smit, als ik de achterflaptekst op de bundel
Evenbeeld lees, geschreven door wijlen Kees Fens: '.......die stem is altijd in dialoog, met zichzelf, met God, die in het pogen tot verheldering, in de terugkeer naar een begin door veel onzekerheid veroorzaakt, in dat per gedicht opnieuw beginnen, los van alles dat er geschreven staat, ook door hem zelf, zijn hoofdletter verloor.’
******
DE DICHTER
Gabriël Smit (1910-1981) was niet alleen dichter, maar werkte ook o.a. als kunstcriticus bij
de Volkskrant en was redacteur van o.a.
De Gids en
Roeping.
Hij stapte in 1934 van de Oud-katholieke kerk over naar de Rooms-katholieke kerk.
Zijn eerste dichtbundels hadden dan ook een sterk religieus karakter. Zijn berijming van de psalmen was in 1952 een ongekend succes, er werden er bijna 100.000 van verkocht. Smit werd hierdoor in 1955 ridder in de orde van Gregorius de Grote.
Smit ontving ook diverse literaire prijzen zoals de literaire prijs van de gemeente Hilversum voor zijn gehele oeuvre en de Marianne Philipsprijs.
Zijn autobiografische bundel
Op mijn woord vormt de neerslag van zijn geloofscrisis, maar ook een aanzet tot vernieuwing van zijn poëzie.
In 1969 stapte hij uit de Rooms-katholieke kerk.
Smit heeft ook veel gedichten vertaald, o.a. in de bundel
Grensverkeer (o.a. Auden, Brecht, Eliot, Grass, Neruda, Rilke) (1975)
Gabriël Smit droeg ook gedichten voor in radio-uitzendingen van het pastoraat van de KRO en in de NCRV-rubriek Literama die hij speciaal voor deze optredens scheef.
Evenbeeld, zijn laatste bundel, voltooide hij drie weken voor zijn dood op 23 mei 1981.
Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook
donateur.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).
Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers.
Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.