Binnen de letterkundige neerlandistiek heeft Tonnus Oosterhoff zich de laatste jaren tot een icoon ontwikkeld. Zijn poëzie geldt als ontoegankelijk en (dus) de moeite van het onderzoeken waard, en zijn digitale experimenten met gedichten (zie
www.tonnusoosterhoff.nl) wekken sterk de wetenschappelijke interesse. Experts scharen Oosterhoff onder de noemer van het postmodernisme, aangezien hij een spel speelt met dominante, modernistische leesconventies als coherentie en autonomie.
Predicaten als ‘ontoegankelijk’, ‘experimenteel’ en ‘postmodernistisch’ zijn exponenten van een discours waarin Oosterhoff een ‘moeilijk’ dichter wordt genoemd. Inderdaad laat hij zich niet gemakkelijk vangen. Yves T’Sjoen bracht hem al eens in verband met 'het scheve, het deviante, het abnormale, het gekke, het absurde' (in
Stem en tegenstem. Over poëzie en poëtica., Amsterdam 2004, p. 101) en benadrukte daarmee hoe slecht zijn werk gerijmd kan worden met een als traditioneel beschouwde poëtica. Hier hebben we te maken met een dichter die zich aan alle vertrouwde patronen onttrekt.
Het nadeel van een al te sterke nadruk op Oosterhoffs moeilijkheidsgraad is dat die het zicht kan benemen op andere eigenschappen van zijn werk, zoals ontroering, originaliteit en herkenbaarheid. Anderzijds nodigt het idee dat deze dichter lastige poëzie schrijft uit tot gedetailleerde interpretaties van zijn werk, die de gemoederen van letterkundigen sterk bezig houden. Alleen al de vraag of Oosterhoff postmodernistisch mag worden genoemd, leidt tot debat: doe je een geraffineerde dichter als deze (of misschien zelfs poëten in het algemeen) niet tekort als je hem in een hokje stopt? Een ander vraagstuk betreft de status van intertekstualiteit in Oosterhoffs poëzie, waarover in de vakliteratuur uitvoerig geschreven is.
De Groningse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Gillis Dorleijn meent dat Oosterhoff verwijzingen naar andere teksten gebruikt om het schrijfproces te thematiseren, zonder dat deze een sturende richting geven aan de inhoud van de tekst. Zijn Nijmeegse collega Anja de Feijter daarentegen is van mening dat intertekstualiteit wel degelijk gebruikt kan worden als middel ten behoeve van tekstinterpretatie: volgens haar zijn Oosterhoffs gedichten beter te begrijpen, wanneer je ze leest met de aanwezige interteksten in je achterhoofd. (Wie deze conflicterende visies verder uitgewerkt wil zien, verwijs ik naar de bijdragen van Dorleijn en De Feijter in de bundel
Een rijke bron: over poëzie, die in 2004 verscheen bij de Historische Uitgeverij te Groningen, onder redactie van Ad Zuiderent, Ena Jansen en Johan Koppenol.)
Het gedicht ‘De moy je m’épouvante’, dat Oosterhoff in 1993 opnam in zijn bundel
De ingeland, is exemplarisch voor de hierboven geschetste typering van zijn poëtisch oeuvre. De Franse titel betekent vrij vertaald 'Mijzelve jaag ik schrik aan'. De openingsregel van het gedicht is bijzonder irrationeel door de foutieve werkwoordsvervoeging. Dit “ik verbrandt” suggereert dat het ik een ‘hij’ is, of – in de woorden van Rimbaud – ‘un autre’. De vlam waarin het lyrisch ik verbrandt, past goed in de metafoor waarop het grootste gedeelte van het gedicht gebouwd is: Oosterhoff stelt de ‘ik’ hier voor als een kaars.
Deze kaarsmetaforiek klinkt ook door in de tweede strofe van ‘De moy je m’épouvante’. De ‘ik’ spreekt over een dik pak vet, dat als kaarsvet geïnterpreteerd kan worden. Tegelijkertijd verwijst dit gedichtelement naar de menselijke vetlaag, die in de loop der tijd steeds dikker wordt. Deze worsteling met het ouder worden zien we in meer van Oosterhoffs gedichten terug. In zijn laatste bundel
Ware grootte is bijvoorbeeld een gedicht opgenomen, waarin een man van zesenvijftig plotseling overlijdt. Dat de precieze leeftijd van de dichter tijdens het verschijnen van deze bundel hier niet veel van verschilde, mag geen toeval heten.
Opvallend aan de tweede strofe is de afstand die het lyrisch ik tot zichzelf reserveert. Hij staat niet op uit een kring mensen, maar
ziet zichzelf opstaan, en precies zo ziet hij zichzelf handen schudden. Vanuit dit perspectief – dat het gedicht de dichter biedt – schrikt het ik van zichzelf: tussen de mensen is hij een vreemde; wordt hij kleiner en kleiner; wordt hij gereduceerd tot handenschudden. Een daadwerkelijk ‘ik’ blijft hier niet over: de eigen identiteit smelt langzaam weg, aangevreten door de vlam van de kaars die het ik uiteindelijk is.
In de derde strofe wordt de metaforiek gecompliceerder. De kaars, hiervoor uitgelegd als een metafoor voor het lyrisch ik, wordt hier op zijn beurt gelijkgesteld aan een eenhoorn. Oosterhoff creëert de voorstelling van een fabeldier dat gemaakt is van stearine, waarvan de hoorn als lont dient. Het is nogal raadselachtig waarom dit beeld in ‘De moy je m’épouvante’ wordt opgevoerd, maar er is een intertekst die opheldering biedt. De titel van het gedicht is namelijk ook die van een embleem uit 1701, waarop een eenhoorn staat afgebeeld die zijn eigen spiegelbeeld aanvalt – of juist in de veronderstelling verkeert dat het hém aanvalt. Het embleem staat afgebeeld in Jacobus Boschius’
Symbolographia en heeft als onderschrift ‘Monoceros impetens effigiem suam in aquis expressam’, wat vertaald kan worden als ‘De eenhoorn stormt af op zijn portret, dat is afgebeeld in het water’. Hier doet zich een interessante parallel voor met wat we in Oosterhoffs gedicht zien gebeuren: zoals de eenhoorn zijn spiegelbeeld aanvalt – en daarmee eigenlijk zichzelf – zo belegert de dichter in ‘De moy je m’épouvante’ zijn lyrisch ik, dat hij van op een afstandje aanschouwt. Dit ‘ik’ wordt een derde persoon enkelvoud dat wegsmelt in de taal.
In de laatste strofe van het gedicht keren we terug naar de handenschuddende man. Hij verteert doorns, of zou dat graag willen: hatelijkheden probeert of weet hij te doorstaan. We zien echter een man – een vrouw kan ook – die geheel ten onder gaat in de menigte. De ik-figuur verdwijnt in een glimlach; keert mensen de rug toe of wendt het hoofd af. Lezen we de strofe letterlijk, dan schetst Oosterhoff hierin de mens die faalt in het maken van contact. Trekken we de lijn van de aangevallen identiteit door, dan kan de slotregel gelezen worden als samenvatting van wat er in dit gedicht gebeurt: het lyrisch ik keert de lezer de rug toe en wendt zijn hoofd af. Zijn identiteit wordt uitgewist: de dichter valt zijn ‘ik’ aan met zijn taal en weet glimlachend te verdwijnen in zijn eigen woorden. Dat is de doorn die de lezer uiteindelijk zal moeten verteren.
Nu nog even terug naar de debatten rond Oosterhoff. ‘De moy je m’épouvante’ toont mijns inziens bij uitstek aan hoe moeilijk het is deze dichter te vangen in een zekere stroming. Wie Oosterhoff tot het postmodernisme wil rekenen, zoals dat bijvoorbeeld gedefinieerd is door Vaessens en Joosten in
Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (Nijmegen 2003), vindt een argument in de uitwissing en ongrijpbaarheid van het ‘ik’ dat typisch is voor postmoderne gedichten. Op basis van het embleem, een intertekst die op een hoger abstractieniveau coherentie biedt, zou je echter kunnen stellen dat Oosterhoff niet in te passen is in de postmoderne traditie, waarin coherentie als organiserend principe voortdurend wordt ondermijnd. In dit ene gedicht onttrekt de dichter zich aan alle constructies waarmee de letterkundige hem probeert te vangen.
Wat moeten we dus met die Oosterhoff? Laten we vooral vaststellen dat zijn poëzie fascineert. Zelfs als fabeldier van kaarsvet weet deze dichter ons te boeien.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code