Een jonger vrouw
In mij is een jonger vrouw dan ik
met lichter ogen en smaller handen.
Zij staat op kleine gespitste voeten
door mijn ogen naar buiten te zien,
zij kijkt naar de dagen, naar licht en naar kleuren,
ziet alles verwonderd, ziet alles heel schoon.
Beiden verlangen we, dat zij kon spreken,
dat zij kon bewegen en leven en breken
de donkere, die om haar woont.
Ankie Peypers (1928-2008)
Uit: Taal en teken, Contact, Amsterdam, 1956
‘Een jonger vrouw’ komt uit Peypers’ derde bundel. Het lyrisch subject onthult hier haar innerlijk, zoals bij veel van haar gedichten. De ik-figuur valt samen met Peypers zelf want dit gedicht staat ook in
Letters van een naam (Baarn: De Prom, 1985), haar autobiografie in gedichten. Hierboven hebben we te maken met een poëtische
self-disclosure, een tekst die een intieme ervaring verwoordt. In haar innerlijk bevindt zich een andere vrouw die de omringende wereld heel anders ziet en niet alleen dat, die ook graag zou willen leven. Er is sprake van verdeeldheid; binnenkant en buitenkant vormen geen eenheid. De jongere staat op kleine gespitste voeten door de ogen van de ik-figuur naar buiten te kijken. Ook de handen zijn smaller. Haar ogen zijn lichter m.a.w. de blik is minder somber, vooral bewonderend en verwonderend. Lyrisch-subject en innerlijk zelf verlangen beiden dat de laatste kon bewegen en spreken, kortom ten volle kon leven.
‘Een jonger vrouw’ is een vrij en helder geformuleerd vers in taal zonder al te veel franjes. Er spreekt een authentiek, later door vrouwen collectief ervaren gevoel uit. Verschillende metra zijn gebruikt. De eerste zin is trocheïsch waarmee het accent direct op ‘in’, op haar binnenste valt. Bij verdere lectuur aarzel je als lezer enigszins bij het woord ‘zij’ in regel 3, niet wetend of daar wel of niet een heffing op valt. Na het laatste woord van regel 2, ‘
handen’, verwacht je een heffing terwijl je vanuit regel 2
als geheel eerder een daling verwacht: regel 3 blijkt metrisch identiek aan regel 2 te zijn. De ik-figuur lijkt daardoor na de snelle, trocheïsche ontboezeming bij haar verdere onthulling ook wat te aarzelen. Regel 4 is anapestisch, 5 en 6 zijn amfibrachisch, 7 en 8 dactylisch. De heffing op ‘
beiden’ aan het begin van regel 7 komt na ‘schoon’ in de vorige regel antimetrisch over. Dit markeert de overgang van de eerste persoon enkelvoud naar de eerste persoon meervoud en geeft daar reliëf aan. Binnenste en buitenste verlangen beiden om echt te leven en dat kan natuurlijk alleen als er eenheid is.
De frequentie van parallellismen frappeert. Die zien we in regel 2 (
lichter ogen en smaller handen) en in de regels 5 (
naar de dagen, naar licht en naar kleuren) en 6 (
ziet alles verwonderd, ziet alles heel schoon). Deze stijlfiguur sluit inhoudelijk mooi aan bij de beleefde dichotomie; binnen- en buitenkant leven, ook al ervaren ze de wereld verschillend, evenwijdig aan elkaar. In de regels 7 en 8 valt bovendien de assonerende e op, waardoor de successieve werkwoorden
spreken en
bewegen uitmonden in de climax
leven waarna als anticlimax
breken volgt met een toepasselijk enjambement. De slotregel continueert jambisch en iets vertragend bij ‘donkere’ om zich met twee heffingen in de jambe te schikken (welk een symboliek!)
en de - taalkundig onnodige - komma in acht te nemen, om aansluitend
unheimisch en in mineur te eindigen. Kijken is het enige wat de jongere vrouw doet en kan en dat wordt geaccentueerd door het repeterend gebruik van ‘ogen’, ‘kijken’ en ‘zien’. Zij spreekt zelf niet; er wordt alleen over haar gesproken door het lyrisch-ik. De jongere heeft dus niets te vertellen, niets ‘in te brengen’.
Voor het juiste begrip van 'Een jonger vrouw' is de cultureel-historische context van de jaren vijftig essentieel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten mannen bij de krijgsmacht waardoor de hoeveelheid werkende vrouwen explosief was toegenomen. Vrouwen ‘stonden hun mannetje’. De naoorlogse wederopbouw ging samen met herstel van het gezin en de traditionele vrouwenrol. Moederschap werd sterk gestimuleerd. Het werd een
fait accompli dat de vrouw thuis ‘achter het aanrecht’ bleef en de man het werkend, de kost verdienend gezinshoofd was. Enkele jaren na de oorlog werkten dan ook maar weinig vrouwen. Het merendeel was economisch afhankelijk van hun echtgenoot en hield zich bezig met de verzorgende en opvoedende taken thuis, passend bij hun ‘gevoelige en zachte aard’. Veel vrouwen ervoeren dat als een knellend keurslijf en misten een eigen
raison d’être, een niet aan het gezin ontleende identiteit. Te grote identificatie met de obligate rol ging ten koste van het contact met het eigenlijk zelf en resulteerde in verdeeldheid en zelfvervreemding. De
condition féminine riep onvrede op, eerst aarzelend en ondergronds en worstelend met schuldgevoelens, later al meer openlijk. Nogal wat vrouwen kregen psychische en psychosomatische klachten. Het zou in Nederland tot 1967 duren voor Joke Smits artikel
Het onbehagen bij de vrouw in
De Gids verscheen, het artikel dat aan de wieg stond van de tweede feministische golf.
In ‘Een jonger vrouw’ is de verdeeldheid tussen binnen- en buitenkant geprononceerd aanwezig. Peypers heeft het onvrije en monddode gevoel in originele, poëtische taal gegoten. Voor die verdeeldheid was in het culturele bewustzijn van de vijftiger jaren nog amper plaats. Daarmee maakte zij deel uit van de voorhoede van de tweede feministische golf. Ze schreef, aldus hoogleraar literatuur Universiteit Maastricht Maaike Meijer in de inleiding van Peypers’ verzamelbundel
Gedichten 1951-1975 (Amsterdam: Uitgeverij Dekker 1991) bewust en polemisch 'als vrouw' en liet zien hoe de politieke beweging van het feminisme zich kan uitdrukken in beeldende taal zonder dat de poëzie daaronder bezwijkt. Peypers’ vroege werk is literair-historisch belangrijk omdat daarmee in Nederland een poëtische normverandering werd ingezet. Het beeld waarin zich een meer waarachtig ‘ik’ verbergt, werd later een feministische
topos.
Een maand na haar tachtigste verjaardag overleed Johanna Annie Peypers (1928-2008), na een korte ziekte. Ze laat een omvangrijk oeuvre na, niet alleen zo’n twintig bundels met dikwijls geëngageerde, feministisch georiënteerde poëzie maar ook vier romans. Haar maatschappelijke betrokkenheid was trouwens veel breder dan het feminisme. Haar bibliografie vindt u
hier; het debuut
Zeventien, geschreven op zeventienjarige leeftijd, staat daar niet bij.
Ik wil eindigen met het pregnante 'Je tatônne' (Ik tast rond) uit Peypers’ tweede bundel
October.
Je tatônne
Je tatônne
En duizend zonnen worden een zon
En duizend zeeën worden een zee
Ik loop langs de paden naar het strand
en streel het leven met mijn hand.
De duizend dagen worden een dag
Mijn duizend levens worden een dood
Dan draagt men mij langs de paden naar zee
J’ai tatônné
J’ai tatônné.
Uit: October, Contact, 1951
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam