17 juni 2009
Hester Knibbe - Psalm 4631
* Een bespreking door Inge Boulonois *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (2), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (3), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (1), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (2), Lambert Wierenga (8), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).
Vooraf
Naar aanleiding van de vorige aflevering schreef S.L. van IJsseldijk-v.d.Meulen: "Met veel belangstelling heb ik Ivan Sacharovs beschouwing over Kester Freriks' gedicht 'Sprookje' gelezen. Wordt deze voor mij onbekende schrijver tot de klassiekers gerekend? Al zou dit niet het geval zijn: zijn prozaïsche poëzie heeft mij zeer ontroerd, vooral nadat ik de bespreking had gelezen. Zouden er meer abonnees zijn, die dezelfde emotie voelen?"
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2340 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 15 juli 2009. Karin Doornik bespreekt dan
Zelfkant van Simon Vestdijk uit de bundel Kind van stad en land (1936).
Psalm 4631
In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen
verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen, om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam
afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat
mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom
nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.
Hester Knibbe (1946)
Uit: Verstoorde grond, de Prom, Baarn, 2002
Zeer recent, op 23 mei 2009, ontving Hester Knibbe (Harderwijk 1946) de driejaarlijkse A. Roland Holstprijs voor poëzie. Deze is, zo bepaalde het A. Roland Holst Fonds bij de instelling in 1986, bedoeld voor werk dat zo ver ontwikkeld is dat het een eigen gezicht heeft en bovendien potentie tot groei bezit. De jury onder voorzitterschap van Tom van Deel prees Knibbe’s werk als poging om in taal vat te krijgen op het grensgebied tussen leven en dood. ‘Kwetsbaarheid is haar basso continuo. Dat wekt de schijn van bescheidenheid, maar in haar woordkeus en toonzetting toont de dichteres poëtisch meesterschap’, aldus Van Deel. Op dezelfde dag bracht De Arbeiderspers onder de titel
Oogsteen een keuze uit Knibbe’s gedichten van 1982 tot en met 2009 uit.
De oeuvreprijs vormde ook aanleiding tot deze analyse. Het is de tweede die we aan deze dichteres wijden. In
Meander Klassiekers 55, alweer vijf jaar geleden, werd ‘Vannacht’ uit
Een hemd van vlees (De Prom, 1994) besproken. Bovenstaand gedicht schreef Knibbe indertijd op verzoek van het literair tijdschrift
Liter. Ook al suggereren titel en eerste regel een echte
psalmos of harpzang, een bijbels exemplaar is het natuurlijk niet; halleluja-psalm 150 is echt de laatste.
Het schrijven van een nieuwe psalm is geen noviteit. Zowel Ron Elshout als Rob Schouten waagden zich aan een Psalm 151 en Hedwig Speliers schreef zijn Apocriefe Psalm. Half mei droeg onze Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr bij de opening van de Calvijntentoonstelling zijn ‘Psalm voor een afkomst’ voor. Vanwege vermeende blasfemie viel deze niet bij iedereen in goede aarde…
In haar nood roept de ik-figuur, zo leert regel twee van Psalm 4631 ons na het enjambement,
'niet En tot niemand', met het gewicht van het assonerende allitererende
nie. Een abrupte, onverwachte wending. Het is dan ook een antipsalm. Het lyrisch subject valt hier samen met de dichteres wier zoon in 1999 op negenentwintigjarige leeftijd aan een hersentumor overleed. ‘Het’, in deze analyse voor het gemak ook met ’ze’ aangeduid, zwijgt. In deze psalmische context zwijgt ze naar God toe; Knibbe onthulde in een interview christelijk te zijn opgevoed. Ze sprak zich over dat hartverscheurende persoonlijke drama wél uit. Op papier. Voor zichzelf, en impliciet naar ons, lezers.
‘Schreeuwen’, een veel heftiger werkwoord dan ‘roepen’, heeft ze verleerd. De witregel na ‘schreeuwen’ lijkt haast ruimte te bieden voor een Munchiaanse echo. In
'wie na zoveel/ zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen// verleerd' – met assonerende ee-klank – reveleert ze de reden van het zwijgen met een beroep op de ‘logica’ van ons gevoel. Wie zou in zulke omstandigheden wél blijven schreeuwen? Het betrekkelijk voornaamwoord 'wie' heeft hier zowel de betekenis van een algemeen 'al wie' als een verbijzonderend 'degene die' (betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent), waardoor het direct op de ik zelf betrekking heeft. ‘Zand erover’ betekent figuurlijk: laten we er niet verder over spreken. In letterlijke zin verwijst het naar het zand op de kist, naar het graf van haar zoon. Zo’n combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenis hoort tot de ‘parafernalia’ van Knibbe’s poëzie.
Drie keer, met de kracht van
omne trinum perfectum, passeert ‘laat’ ons oog. De lamenterend klinkende lange
aa resoneert tussendoor in ‘staan’ en ‘schaduw’. De incantorische imperatief van ‘laten’ ademt zo een atmosfeer van verlatenheid. Het lyrisch subject kijkt naar een eik aan wie ze het klagen overlaat terwijl zij woordeloos in zijn schaduw staat.
'Laat de eik maar kreunen/ en klagen,' een lamento versterkt door zowel het enjambement als de tautologie. Deze boom met zijn harde hout symboliseert duurzaamheid en onwrikbaarheid.
'Blad dat voortijdig/ te gronde' refereert aan het tegennatuurlijke feit van het verlies van haar zoon; het enjambement accentueert de voortijdigheid.
De tak, eveneens verwijzend naar haar zoon, is met een pijnlijke beweging van de (moederlijke stam-) boom ‘afgerukt’. In ‘te gronde’ speelt naast de betekenis van ‘vergaan’ ook ‘de grond’ als bodem, dus weer het graf, mee.
'Laat mij woordeloos/ staan in zijn schaduw.' De dichter spreekt niet meer met God die dit haar heeft aangedaan. 'Woordeloos’ vind ik hier een geslaagd woord. Erin zit namelijk ‘woord’ dat, primordiaal althans en met een hoofdletter, slaat op het spreken van God en als personificatie samenvalt met zijn zoon Jezus. Dit geeft het zwijgen een diepere dimensie. ‘Schaduw’ werd indertijd al door Rhijnvis Feith gebruikt als beeld van vergankelijkheid in:
uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. Het betekent ook ‘duisternis’. M.a.w. de ik-figuur staat in de schaduw van de boom met het donkere gevoel dat de dood van haar zoon teweegbracht. Bijbels geïnterpreteerd is ‘schaduw’ juist bescherming, zoals ‘in de schaduw van Gods vleugels’. Maar dat ervaart het lyrisch subject niet.
'Laat/mijn zwijgen niet klein en gebukt/ zijn maar waardig hoog en breed als de kroon van de boom' luidt strofe vier. ‘Klein en gebukt’ wekt associaties op met nederigheid, met de ootmoed van een mens die weet dat hij/zij uiteindelijk niet over de grote dingen in het leven beslist. We zijn immers ‘als gras’. De dichter wil het liefst
'waardig hoog en breed zijn als de kroon van de boom'. Statig wil ze zijn alsof er niets is gebeurd. De boom mag kreunen, zij niet. Alsof de dichter zich niet klein wil laten krijgen.
De slotstrofe
'nu zijn wortels en stilte zich/ hechten aan hem en alle gebed/ wordt gesmoord in de aarde.' suggereert dat de ik-figuur voorheen gebeden heeft, maar uit het feit dat de zoon desondanks overleed, heeft afgeleid dat bidden niets hielp en er daarom mee stopte. De wortels en de stilte van de boom hechten zich aan ‘hem’, waarmee de zoon zal worden bedoeld die ook in de aarde ligt. Zijn dood heeft alle gebed gesmoord. Genezing zou mogelijk reden zijn geweest om zich aan God te hechten en te blijven bidden, maar de dood niet.
Formeel is Psalm 4631 een vrij vers, net als bijbelse psalmen zonder eindrijm. Knibbe’s taal is puntig. Het is een ‘gebalde’ tekst. Wat de dichter als moeder is aangedaan, heeft haar gebed gesmoord. Het synthetisch parallellisme, evenals andere vormen van parallellismen een bekende Hebreeuwse stijlfiguur, treffen we aan in de tweede strofe; de kreunende eik wordt nader geconcretiseerd door gevallen blad, door de afgerukte tak. Alle regels in het vers enjamberen wat spanning genereert. Zouden we uitsluitend de interpunctie volgen en na een komma, puntkomma of punt met een nieuwe regel beginnen, dan zou het gedicht veel minder geladen klinken.
Drie zinnen en vijf strofen tellen we. De vorm is verticaal symmetrisch: twee terzinen, een distichon en weer twee terzinen. De middelste strofe geeft de essentie weer: het dichterlijk ik staat woordeloos in de schaduw omdat haar zoon het leven is ontnomen. De witregels geven hier de inhoud ruimte en de dichter lucht. Niet alleen de lange klinkers
ee en
aa maar ook de
oo in ‘nood’, ‘woordeloos’, ‘hoog’ enzovoorts versterken de klaaglijke inhoud. Het metrum is anapestisch; de klinkers van kernwoorden als ‘nood’,‘niet’ en ‘niemand’, ‘zwijg’, ‘gesmoord’ krijgen daarin een heffing. De antimetrie in
'stam/afgerukt' geeft de crue inhoud reliëf.
Waarom koos Hester Knibbe voor nummer 4631 als psalmnummer? Waarom niet ook 151? Of desnoods 1000. Ik vermoed om te benadrukken dat het, anders dan in bijbelse psalmen, niet over een of ander algemeen onheil gaat, maar over een specifiek persoonlijk drama.
Het is het grafnummer van Knibbe’s zoon.
In de vorig jaar verschenen bundel Bedrieglijke dagen (De Arbeiderspers, 2008) staat als laatste dit titelloze gedicht; de cursivering is hier van Knibbe.
Zo heb je het zelden: turksblauw
de zee met daarboven geen wolkje
van witwas of roet in het eten,
van honing het strand met hooguit
wat stenen die je voetzolen lichten en
tenen doen krommen, achter je rug
een grillige kom met huizen melkwit
in een middag die schift van een hitte
waar stilte in klontert. Alles klopt
als een wonder, een zwerende
vinger, een ansicht.
Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook
donateur.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).
Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers.
Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.