15 juli 2009
Simon Vestdijk - Zelfkant
* Een bespreking door Karin Doornik *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (2), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (1), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (2), Lambert Wierenga (8), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).
Vooraf
In de vorige aflevering werd 'Psalm 4631' van Hester Knibbe besproken. Lambert Wierenga, zelf medewerker aan de Klassiekers, stuurde de volgende reactie:
Een indrukwekkend gedicht, dat van Hester Knibbe. En een al even indrukwekkende analyse ervan van de hand van Inge Boulonois! Vooral de uitsmijter daarvan kwam bij mij aan als een goed getimede dreun. Een paar opmerkingen in de marge van de bespreking.
1. Bij alle actuele innovaties met psalmen verdient ook De Psalmen in de bewerking van LLoyd Haft (Ida Gerhardtprijs 2004) het te worden vermeld.
2. Het zou, in het intertekstuele kader van bijbelse literatuur dat Inge Boulonois schetst, te overwegen zijn dat niet het 'boek der psalmen' de primaire referentie van Knibbe is, maar de zogenaamde 'Psalm van Jona', uit Jona 2:3. Deze begint in de meeste vertalingen, anders dan die van de meeste psalmen, ook met “In mijn nood roep ik…”, op het moment dat de hoofdfiguur Jona, opgeslokt door de grote vis, zich in het dodenrijk weet. Juist het enjambement van de eerste naar de tweede regel wekt éven de suggestie dat er tot iemand wordt geroepen. Zoals door Jona.
3. De bijbelse intertekst zou misschien ook te vinden zijn in “… schaduw …”. Maar die referentie is sterk ambivalent: ‘schaduw’ kan in de psalmenliteratuur verwijzen naar ‘bescherming’ (Psalm 17:8; 91:1; 121:5), maar ook van ‘sterfelijkheid’ en ‘dood’ (Psalm 39:7). Die overweging maakt het gedicht extra schrijnend: “Geen stem, en geen antwoorder” (ook een bijbelcitaat). In bevindelijke taal wordt de uitdrukking 'Door het dal van de schaduwen des doods' gebruikt om doodsangst onder woorden te brengen.
4. Zijn ‘kreunen’ en ‘klagen’ een tautologisch koppel? Ik zou het eerder als een synoniemenpaar zien, gecombineerd in een welsprekend ‘binoom’. Bijna als termen in een metonymische relatie: het ‘kreunen’ als manifestatie van ‘klagen’. Helemaal, zoals Inge Boulonois onderstreept, in het kader van een lamento!
Nawoord Inge Boulonois:
Mijn dank aan Lambert Wieringa voor zijn gewaardeerde kanttekeningen! Graag reageer ik erop.
In nummer 89 van Meander Klassiekers staat mijn bespreking van ‘Naar Psalm 1’ uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (Querido, 2003). Daarin besteed ik al de nodige aandacht aan zijn psalmvernieuwingen; ook is te lezen dat Haft in 2004 voor de genoemde bundel de Ida Gerhardt Poëzie Prijs ontving. In de nieuwe Klassieker had ik daar even naar kunnen verwijzen.
Wieringa werpt op dat Knibbe’s psalm geïnspireerd zou kunnen zijn door de Jona-psalm (3:2). Het begin, ‘In mijn nood roep ik de Heer aan’, doet daar natuurlijk sterk aan denken. Tijdens het schrijven van de analyse heb ik met Psalm 4631 in mijn hoofd in het psalmboek gebladerd, op zoek naar een exemplaar dat Knibbe als primaire bron zou kunnen hebben gebruikt. Van dat idee ben ik echter afgestapt.
Ten eerste wemelt dat boek van aanroepen van de Heer bij kommer en kwel. Aanzienlijk minder frequent trouwens als opmaat. In de katholieke editie van de Nieuwe Bijbelvertaling zien we een initiële aanroep in de nummers 28 (‘U, Heer, roep ik aan’), 120 (‘Roep ik in mijn nood tot de Heer’), 130 (‘Uit de diepte roep ik tot u, Heer’ ), 141 (‘Heer, u roep ik aan, kom mij te hulp’) en 142 (‘Luid roep ik tot de Heer’). Het woord ‘nood’ komt in die regel alleen in Psalm 120 voor. Maar dat is een pelgrimslied waarin het lyrisch subject de Heer vraagt hem te bevrijden van leugenaars en bedriegers, m.a.w. een volstrekt andere situatie dan in Psalm 4631. Mijn kennis over het gelaagde wijsheidsverhaal Jona - en dus ook over zijn psalm - schiet echter te kort om de inhoud met die van Knibbe te kunnen vergelijken, nog afgezien van de vraag of ik al doende niet te veel van het eigenlijke onderwerp zou afdwalen.
Niet uitsluitend de eerste regel evoceert allerlei bijbelteksten, ook de boom doet dat. Ik beperk mij tot één opvallend voorbeeld. Bij de eik in Knibbe’s tweede strofe moest ik denken aan Genesis 35:8 waar de voedster van Rebekka onder zo’n boom wordt begraven die daarom ‘Eik van geween’ werd genoemd. Alles bij elkaar genomen besloot ik toen geen specifieke suggestie te doen over de primaire referentie.
Mooi trouwens dat Wieringa weer de aandacht vestigt op de suggestieve kracht van het enjambement van de eerste naar de tweede regel: in haar nood roept ze wel en niet…Inderdaad is Knibbe’s psalm een indrukwekkend gedicht!
Terecht stelt Wieringa dat de symboliek van ‘schaduw’ in bijbelse optiek ambivalent is. Niet alleen is het de beschermer van leven, immers ze beschut tegen zon en hitte, 'schaduw’ komt eveneens voor als beeld van vergankelijkheid. Zo doelt de lange schaduw ’s avonds bij de verzinkende zon in Psalm 109:23 op het levenseinde. Maar grosso modo heeft het woord in de bijbel een positieve betekenis en in die mening weet ik Den Heyer en Schelling in hun gedegen naslagwerk Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis (Meinema, 2000) aan mijn zij. Omdat het bij Knibbe om de schaduw van een boom gaat, vond ik dat de van de originele betekenis gededuceerde positieve kant - sub umbra alarum Tuarum - benadrukt moest worden.
Als laatste punt het ‘binomium’ van ‘kreunen’ en ‘klagen. Van Dale geeft bij het lemma ‘kreunen’: een zacht klagend geluid maken (gewoonlijk met gesloten of nauwelijks geopende mond), zacht kermen. Strikt beschouwd kun je het metonymie noemen: ‘kreunen’ danwel ‘zacht kermen’ als manifestatie van ‘klagen’. In de syntactische equivalentie bij Knibbe lag voor mij tautologie meer voor de hand.
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2350 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 12 augustus 2009. Wim Kleisen bespreekt dan
De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff uit de bundel Nieuwe Gedichten (1934).
Zelfkant
Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,
Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.
De walm van stoomtram en van blekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van dromen,
En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.
Simon Vestdijk (1898 - 1971)
Uit: Verzamelde gedichten dl. I, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Bert Bakker, De Bezige Bij, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam - ‘s-Gravenhage 1971.
Oorspronkelijk in Kind van stad en land, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam 1936
Eerste publicatie in De Gids, 1933, III, p. 187
Het zal weinigen zijn ontgaan: Martin Bril, onze chroniqueur van het alledaagse in Nederland, is op 22 april jl. overleden. Over zijn columns kan men van mening verschillen: sommigen zullen ze misschien qua vorm en inhoud te plat vinden, anderen roemen zijn uitgeklede stijl. Over de impact van zijn stukjes kunnen we het eens zijn: duizenden Nederlandse krantenlezers zullen de columns en de schrijver missen.
Aan deze veel te vroeg overleden schrijver moet ik denken als ik het gedicht 'Zelfkant' van Simon Vestdijk lees. Dit gedicht voert ons dan wel zo’n zeventig jaar terug in de tijd, maar het gaat eveneens over dagelijkse beelden met dezelfde alledaagse kleuren beschreven, zoals Bril die in zijn columns verwerkte.
In dit gedicht gaat het dan niet om een lege rotonde, maar om dokspoorlijnen, niet om Brils geliefde Volvo, ook al een klassieker, maar over de walm van een stoomtram.
INHOUD
In de eerste strofe zet Vestdijk ons even op het verkeerde been met het woord ‘weidewinden’: het wasgoed kan heel goed in stadse straten of stegen hangen, in ieder geval niet boven groene weiden, de wind komt er slechts vandaan en is bovendien vaag. In de derde en vierde regel krijgen we echter een sterk beeld: dat van fabrieksterreinen met hier en daar een strookje gras. Het woord ‘lorrie’ lijkt bijna negentiende-eeuws maar blijkt in de eerste editie van de Van Dale uit 1864 nog niet voor te komen. Het is een laag en vlak dienstwagentje dat op de rails met de hand of met een hefboomstang wordt voortbewogen.
Het houdt direct verband met de in de eerste regel van de tweede strofe genoemde ‘dokspoorlijnen’, een woord dat niet in de Van Dale is opgenomen, maar alleen te vinden is bij een website als
Transport.nl. Ik neem aan dat de dichter hier een gebied beschrijft dat vlak bij een haven ligt. Die lorrie die op die rails rijdt, is bevracht met een geheim. Dat blijft voor de lezer, althans voor mij, net zo raadselachtig als het misschien bedoeld is door de dichter. Tweede regel: ‘het leven slijt’ geeft het beeld van de berustende arbeider, die zwaar werk moet doen. De ‘ik’ in het gedicht weet hoe zo’n leven eruitziet, maar is het ook de ‘ik’ die daar rondzwerft. Of heeft ‘zwervend’ betrekking op iedereen die op die manier verzeild raakt in dit gebied?
Derde strofe: De walm van de stoomtram is goed voor te stellen, ook in onze tijd. De blekerij zal ook een kleine fabriek geweest zijn waar stoom werd gebruikt, een industrietak die destijds al aan het uitsterven was., evenals de schelpenbranderij (kalkoven). De ‘ik’ stelt dat die walmen tot dromen aanstichten. Dit lijkt me in tegenspraak met het niet-leven uit de tweede strofe. Iemand die nog dromen kan hebben, leeft wel degelijk. Of is het hier weer de dichter zelf die inspiratie vindt in op fabrieksterreinen?
Tot slot het aandoenlijke kalf aan het einde van dit sonnet. Is het zwart van nature of is zijn vel vervuild door industrierook? Hier hebben we dan toch een echt weitje, helemaal aan de rand van een fabrieksterrein. Het wordt door een ‘onverhoopt’ gedicht bevrijd. Inderdaad verrassend, want de omgeving waarin het kalf zich bevindt, is allesbehalve poëtisch. Het vormt één beeld met de sintels, dit is mooi verwoord, door de dubbele laag. Het kalf is zwart, de sintels zijn ook zwart, dus letterlijk valt dit beeld samen en tegelijkertijd is het juist bijzonder dat het kalf en de sintels samen in een gedicht terechtkomen. Deze regel bevestigt nog eens het thema van dit gedicht: de halflandelijkheid.
VORM
Het gedicht is een sonnet, waarbij in de eerste twee kwatrijnen consequent de ij-klank wordt gebruikt, mannelijk en vrouwelijk rijm wisselen elkaar af in het schema ABBA – BAAB. In de twee terzetten gebruikt de dichter nog twee klanken: ACD – CAD.
Elke regel begint met een hoofdletter. Als het gedicht actueel was geweest en met een tekstverwerker gemaakt zou zijn dan lijkt het alsof de dichter een van de, soms hinderlijk automatische, functies van Word niet heeft uitgeschakeld.
Louter voor de vorm is er een scheiding tussen de twee kwatrijnen, want de laatste regel van de eerste strofe en de eerste regel van de tweede strofe lopen in elkaar over. De terzetten vormen wel elk een eenheid, ondanks de komma achter ‘dromen’ (regel 11) en het woord ‘En’ (regel 12).
***
In zijn Verantwoording bij de driedelige uitgave van Vestdijks Verzamelde gedichten tekent Martin Hartkamp aan dat 'Zelfkant' voor het eerst verscheen in De Gids van 1933 (III, p. 187). Het stamt uit een periode [1930-1932] waarover Vestdijk zelf zei: 'In anderhalf jaar heb ik poëzie geschreven voor zes bundels, een soort uitbarsting dus.'
Een van die bundels werd dus Kind van stad en land.
De tekst in de Verzamelde gedichten volgt die uit Een op zeven (Een keuze uit de gedichten, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam - 's-Gravenhage 1955); deze heeft t.a.v. de tekst uit Kind van stad en land een kleine verandering in r. 6. 'Want ‘k weet, er is daar waar men 't leven slijt' werd: 'Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt'
Voor deze Klassieker werd de spelling gemoderniseerd: wasgoed, tussen, blekerij, dromen, i.p.v. waschgoed, tusschen, bleekerij, droomen.
T.a.v. de oorspronkelijke Gids-versie (zie hieronder) zijn er verschillen in zes regels, alle in het octaaf.
Zelfkant
Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van 't gras, dat arm'lijk op fabrieksterreinen
Groeit; van de weidewinden, die met lijnen
Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,
Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, dat ik waar men het leven slijt
En toch niet leven kan, meer eenzaamheid
Zal vinden dan in bergen of ravijnen.
De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,
En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.
Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook
donateur.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).
Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers.
Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.