11 november 2009
Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
* Een bespreking door Bettine Siertsema *
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire
aanbod de sites
Meander en
Meander Magazine.
Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (3), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (2), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (3), Lambert Wierenga (9), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).
Vooraf
Wilma van den Akker behandelde in de vorige aflevering 'Spade' van Geert van Istendael. Op de hem toegezonden bespreking gaf de dichter deze reactie, die we met zijn toestemming publiceren:
Hartelijk dank voor de analyse van het gedicht 'Spade'. Een paar opmerkingen:
1. Spade is inderdaad vrouwelijk, zie het Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel XIV. Het is nu wel de gewoonte om alleen nog het verschil te maken tussen de- en het-woorden, maar dat stuit me tegen de borst. In mijn Brusselse en dus Zuid-Brabantse dialect is het verschil nog altijd duidelijk hoorbaar in het onbepaald lidwoord: een (vr.) spade en niet 'ne, wat voor een mannelijk zelfstandig naamwoord zou staan.
2. Bestaansrecht. Het is maar goed dat in de natuur de democratie niet bestaat, want de ongewervelde dieren onder de grond zijn veruit in de meerderheid. Zolang die onder de grond leven hebben ze recht van bestaan. Als een spade ze aan het licht brengt, sterven ze af, houdt dus hun recht van bestaan op. Maar geen nood, ze worden onmiddellijk vervangen door nieuwe griezelige beestjes.
3. De vorm heb ik zelf een vijftiental jaren geleden uitgevonden. Sindsdien zijn er in drie bundels dergelijke gedichten opgenomen, telkens negen stuks, allemaal over simpele gebruiksvoorwerpen: een theepot, een bloempot, een fiets, een houten lepel, enz. Wat de vorm betreft, het zijn is zekere zin bondige sonnetten. Ik ben zeer gesteld op sonnetten, maar voor deze voorwserpen zijn ze te lang en ook te zeer beladen met traditie. Dus: niet acht regels, witregel, en zes regels, maar vijf, witregel, drie. Vrij strak rijmschema: a (b) a (b) a (a) cc, waar de letters tussen haakjes staan voor halfrijmen. Ik volg het niet altijd helemaal, maar toch heel vaak. Soms komen er nog binnenrijmen bij. De laatste twee regels zijn belangrijk omdat ze de geslotenheid van dergelijke voorwerpen aangeven. Ze doen het ding als het ware dicht met een dubbel slot. Mij gaat het erom de onvermoede complexiteit van die dingen te benaderen. Ten tweede gaat het mij om de duurzaamheid. De meeste van die dingen gaan al eeuwen mee. Dat is natuurlijk onduldbaar in ons economisch bestel. Maar op dat punt dwaalt onze economie. Alleen duurzaamheid kan de menselijke soort redden. In één gedicht (Thonetstoel nr. 14) staat het zo: Een stoel moet langer leven dan een boom. Zo niet gaan we allemaal eraan. Die gedichten zijn in onze tijd dus subversief.
Nu ligt er weer een dozijn of zo van dergelijke gedichten klaar. Misschien voor een bundel volgend jaar, we zullen wel zien.
De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2420 abonnees.
Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 16 december 2009. Jeroen Dera bespreekt dan
Het onderliggende het zich tonende van Mustafa Stitou, een gedicht uit de cyclus 'De schil waarop wij leven' uit de bundel Varkensroze ansichten (2003).
III
Verwachtingen en haren eenmaal grijs
zijn niet als nevelen van 't hoofd te vagen,
mijmert de trambestuurder, bij de slagen
der ruitenwissers, mogelijkerwijs.
De eerste rit is altijd weer een reis.
Full speed. Hij ziet bij 't zingen van de wagen
oude, onvergetelijke winterdagen
als niemand voor hem uit was op het ijs.
De stad slaapt nog. Zo ver men zien kan zijn
rolluiken voor de winkels neergelaten.
De draad hangt drup'lend door de lege straat.
Verstoot de woonsteden, o God, en laat
de kalveren weer weiden in woestijn.
Twist met ons, twist met ons, twist niet met mate.
Martinus Nijhoff (1894 - 1953)
Uit: Verzamelde Gedichten, afdeling 'Verspreide gedichten', Bert Bakker, Den Haag, 4de dr. 1974
Oorsponkelijk in De Gids 1936, IV p. 19.
Het sonnet over de trambestuurder is het derde in de reeks van acht sonnetten ‘Voor dag en dauw’, die Martinus Nijhoff schreef in reactie op het boek
In de schaduwen van morgen van de historicus Johan Huizinga. Nijhoff liet de reeks voorafgaan door een open brief aan Huizinga, in proza, waarin hij stelt dat hij de titel van diens boek aanvankelijk had geïnterpreteerd als het donker dat aan de dageraad voorafgaat, terwijl hij na lezing begreep dat het gaat om het duister van de toekomst. Hij heeft zich tot zijn acht sonnetten echter laten inspireren door de eerste betekenis. Het boek van Huizinga gaat over de maatschappelijke crisis van zijn tijd, die van veel diepere aard is dan alleen de economische malaise van de jaren dertig. Huizinga neemt een diepe crisis in de cultuur waar, ongeveer in de trant van Oswald Spenglers beroemde boek
Der Untergang des Abendlandes. Nijhoff schrijft in de open brief dat inderdaad de oude zekerheden zijn ingestort, dat pessimisme een luxe is geworden en dat alleen de daad kan redden. ‘Maar welke daad? Niemand ziet helder. Wij leven in het donker van “voor dag en dauw”.’ In zijn gedichten heeft hij ‘acht menselijke omtrekken getracht te schetsen, zoals zij zich in de morgenschemering gedragen.’
Anders dan in de eerste twee sonnetten gaat het in het hier besproken derde gedicht niet om een toekomstdroom maar om een jeugdherinnering die een wenkend perspectief vormt. De eerste tramrit door de nog stille stad doet de bestuurder denken aan de solitaire schaatstochten die hij vroeger maakte.
In het eerste kwatrijn mijmert de bestuurder dat zowel zijn grijze haren als de verwachtingen die hij heeft, of ooit had, niet zomaar uitgewist kunnen worden, zoals de ruitenwissers de regendruppels van de voorruit wissen. Het laatste woord ‘mogelijkerwijs’ is dubbelzinnig: het kan zijn dat de verteller in twijfel trekt of wat hij zojuist vertelde wel echt zo is, of dit dus echt de inhoud van de mijmerij van de trambestuurder is. Het kan ook een soort kwalificatie zijn van die mijmerij: de trambestuurder mijmert bij wijze van mogelijkheid of hij zijn verwachtingen en zijn grijze haren achter zich zou kunnen laten. Het ‘mogelijkerwijs’ als laatste woord van de strofe sluit ook rechtstreeks aan op het eerste woord, ‘Verwachtingen’. De hele eerste strofe staat zo letterlijk in het kader van mogelijkheden. Tussen ‘verwachtingen’ en de grijs geworden haren lijkt een tegenstelling te bestaan. Verwachtingen zijn immers toekomstgericht, terwijl grijze haren staan voor de ouderdom en zo juist een teken zijn van een nauwelijks nog aanwezige, in elk geval slechts zeer beperkte toekomst. Maar het is goed mogelijk de achtergestelde bepaling ‘eenmaal grijs’ op zowel de haren als de verwachtingen te laten slaan. De verwachtingen zijn grijs geworden, verstoft, niet meer actueel.
Al legt het gedicht het verband niet expliciet, het is goed voorstelbaar dat de slagen van de ruitenwissers met hun regelmatige ritme, de herinnering oproepen aan de wintertocht op het ijs met de regelmatige slagen van de schaatsen, met hun min of meer overeenkomstige geluid. Er bestaat zowel overeenkomst als contrast tussen de heerlijke herinnering en de stille straten van de stad. De overeenkomst is de leegte, en het feit dat de bestuurder er als eerste is: niemand was voor hem uit op het ijs, een bepaling die locaal is, maar tegelijk een temporele betekenis heeft. Beide situaties delen ook een zekere avontuurlijkheid. De rijmklank verbindt het avontuurlijke van de eerst rit met dat van de schaatstocht (r. 5 reis en r. 8 ijs). De slagen van de ruitenwisser vinden hun parallel in de slagen van de schaatsen van vroeger. Het ‘Full speed’, dat in eerste instantie waarschijnlijk ingegeven is door de woorden in gietijzeren letters die bij de snelheidshendel van oude trams te lezen staan, kan ook op de schaatstocht betrokken worden.
Maar er bestaat ook een contrast tussen die positieve herinnering en de doodse straten in de druilerige stad, een contrast tussen het tweede kwatrijn en het eerste terzet, de klassieke plaats voor de wending in een sonnet. Ondanks dat contrast komt het laatste terzet toch als een verrassing: met woorden uit Jesaja wordt God gevraagd de woonsteden, ook de stad van de tramrit dus, te verstoten, zodat die tot woestenij zullen worden. Nijhoff speelt hier met Jesaja 27: 8-10, zonder die tekst rechtstreeks te citeren. Die tekst luidt, in de Statenvertaling, die immers de gangbare was in de tijd dat Nijhoff deze sonnetten schreef:
Met mate hebt Gij met hem (=Israël, BS) getwist, wanneer Gij hem wegstiet; (…) Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstooten en verlaten worden gelijk eene woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen en zullen hare takken verslinden.
De context is dat Israël vergeleken wordt met een wijngaard, door God geplant en van onkruid ontdaan. Hij rekent af zowel met de afgodendienaars binnen Israël als met de vijanden van buiten. Nijhoff werkt de aankondiging van onheil om tot een bede, en verandert het met mate twisten tot een juist niet met mate twisten. Een belangrijke afwijking in het metrum doet zich voor in de laatste regel, die met twee dactylen begint. Die maken een gedragen indruk, waarmee het andere taalregister nog extra sterk naar voren wordt gehaald. Ook wordt zo het accent op ‘twist’ nog versterkt, in overeenstemming met de toevoeging ‘twist niet met mate’.
Degene die de bede doet, lijkt de trambestuurder te zijn, maar dat wordt niet door het gedicht dwingend opgelegd. De mogelijkheid blijft open dat het de verteller is van wie die Jesaja-tekst afkomstig is. Ook als we veronderstellen dat de bestuurder een afkeer van zijn werk en de regenachtige dag heeft, nu hij zich de genoegens van de schaatstocht uit zijn jeugd voor de geest haalt – en de positieve toonzetting van het tweede kwatrijn pleit daartegen, met de eerste rit als een reis, full speed, en het zingen van de wagen – zou het afsmeken van de verwoesting van de stad nog een onverwacht heftige reactie zijn. Hij lijkt ook in schril contrast te staan met Nijhoffs visie die hij in de lezing ‘Over eigen werk’ (
Verzameld werk, deel 2*, Kritisch, verhalend en nagelaten proza. Amsterdam 1961, p. 1150-1174) uitsprak, dat het werkelijke leven zich afspeelt ‘in de kantoren, de fabrieken, de ziekenhuizen, de cafés, de stations, in alle plaatsen, waar massa’s mensen bijeen waren’, in de stad kortom. De bede hoeft echter niet uit louter negatieve gevoelens voort te komen: het twisten kan ook opgevat worden als iets dat leidt tot een noodzakelijke loutering. De woestijn is dan een beeld van het afrekenen met het oude (dat hij in de open brief noemt), van de loutering zonder welke geen nieuw begin mogelijk is. Deze betekenis van de woestijnmetafoor is in overeenstemming met de manier waarop die in de Bijbel functioneert.
Op een onopvallende manier neemt Nijhoff hier kritisch stelling tegenover Huizinga’s nogal elitaire visie: niet, of niet alleen, van een intellectuele bovenklasse is heil en een wending ten goede te verwachten, ook gewone kleine mensen kunnen in hun dagelijks werk meebouwen aan een nieuwe toekomst. Behalve de trambestuurder is de werkster in het zesde sonnet van de reeks daar een overtuigend voorbeeld van.
Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook
donateur.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).
Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers.
Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.