Dit is verreweg het bekendste gedicht van Pieternella Cornelia van Yperen (Rotterdam, 1930), die schreef onder het pseudoniem Ellen Warmond. De ‘wisseling van decor’ komt uit haar debuutbundel. Het gedicht frappeert door de overdaad aan beeldspraak en de vervreemde kijk op het bestaan, een stemming die door de hele bundel heen sijpelt; Warmond zelf sprak over een
inoperabel tekort. Metaforische overvloed zien we ook bij haar tijdgenoten, de Vijftigers, maar hier klinkt de inhoud aanzienlijk minder vitaal, doet eerder denken aan
de Grote Melancholie zoals Maaike Meijer het werk van dichteressen uit die tijd literair-sociologisch typeerde. Warmonds bibliografie telt tientallen boeken, vooral dichtbundels. Daarnaast schreef zij proza. Voor de bibliografische informatie kunt u terecht bij de
dbnl.
Alleen al de eerste twee regels, waarin de nieuwe dag wordt voorgesteld door een binnenschuivende dreigbrief, doen onheilspellend aan. Het zonlicht dat als snelle messen de rode zegels van de droom losbreekt, intensifieert dit gevoel. De Bijbellezers onder u moeten misschien denken aan het openen van de boekrol en/of aan de dag des oordeels. Bij de ‘gewone’ lezer roept de combinatie van ‘rood’ en ‘snelle messen’ bloederige associaties op. De ‘rode zegels’ zouden we kunnen interpreteren als de oogleden die open gaan, hardhandig open worden gebroken. Omineus klinken ook de huizen met ‘hun bittere ogen’ en de toevoeging ’doodsbleek’ bij de sterren in de tweede strofe . Dat opslaan van ogen doen de huizen ook nog eens ‘traag’, waarmee het contrast met de agressieve ‘snelle’ messen scherp wordt aangezet. De slotstrofe fungeert als uitsmijter. De polysyndetische ‘nachtdroom en dagdroom’ staan ’haastig’ elkaar hun plaats af waardoor gesuggereerd wordt dat de werkelijkheid een droom of zelfs een nachtmerrie is die geen enkele onderbreking duldt. De dag is een ‘vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren’ dat ‘bedaard’, m.a.w. in alle rust alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, op de ik-figuur aanlegt.
Bepaald geen poëtisch ontwaken met indrukwekkend morgenrood, eerder het toneel van iemand wie de doodstraf met de kogel wacht. Het sombere illusionisme van een als bedreigend ervaren werkelijkheid overheerst. Nacht en dag worden afgewisseld door - een tautologie - ‘zwijgende schildwachten’, met wie dus absoluut niet te onderhandelen valt. Ze maken deel uit van een verandering van ‘decor’ als de onwerkelijke achtergrond van een macaber script. Door het enjambement na ‘twaalf’, een half etmaal, resoneert de unheimische metonymie van het getal mee zoals we die kennen in de uitdrukking ‘vijf voor twaalf’. Slechts twee keer is in het gedicht een persoonlijk voornaamwoord gebruikt: ‘mijn’ in regel 2 en ‘mij’ in de slotregel. Het ‘ik’ speelt kennelijk geen hoofdrol, terwijl het wel lyrisch subject is. Het is nergens syntactisch onderwerp, komt hier slechts voor als bezittelijk voornaamwoord en
lijdend voorwerp. De ik-figuur wordt overruled door de dreiging van de dag, maar het blijft haar kamer. En haar beleving. Het passieve werkwoord ‘worden’ beklemtoont dat het haar ‘overkomt’.
Het vrije vers telt drie strofen: kwatrijn, distichon en kwintijn. Het is rijk gelardeerd met klinkerrijm zoals in ‘‘sn
elle’ en ‘m
essen’. Het meest opvallend zijn de assonerende lange a- en o-klank die doen denken aan de uitroepen van verwondering en schrik.
Changement de décor bestaat slechts uit één zin zonder interpunctie, wat een dynamische indruk maakt. Het heeft geen vast metrum, het aantal lettergrepen per regel varieert. Zoals ik al schreef, wemelt het van beeldspraak - van overdrachtelijk of figuurlijk taalgebruik, van metaforen.
Beeldspraak is een stilistisch hulpmiddel waarmee iets indirect, via een gedeelde eigenschap, wordt uitgedrukt. Onze spreektaal zit er vol mee. We hebben het over een
boom van een vent, een
strenge winter om daarmee een specifieke eigenschap van het genoemde te benadrukken. Originelere voorbeelden zijn: de
zuignap van een stoel, de
schatkist van het geheugen, het hart van
pijnboomhout. Beeldspraak sorteert dus een bepaald effect als
stijlfiguur.
Regel 1 vergelijkt de ‘dag’ met een ‘dreigbrief’. Het is een metafoor, net als ‘de rode zegels van de droom’, die verwijzen naar de oogleden, en ook de vergelijking van ‘zonlicht’ met ‘snelle messen’. (Het onderscheid tussen een metafoor in ruimere en engere zin laat ik hier omwille van de overzichtelijkheid achterwege.)
In de tweede strofe richt de blik van het lyrisch subject zich naar buiten; het perspectief verandert. De regel ‘huizen slaan traag hun bittere ogen op’ kunnen we opvatten als: de huizen waarvan ramen en/of gordijnen opengaan. Deze vergelijking berust op de metafoor van de personificatie, de voorstelling van een huis als een levende persoon. Deze personificatie bevat nóg een metafoor en wel ‘bittere’ ogen. Dit is synesthesie, beeldspraak waarbij het ene zintuig (de smaak) een eigenschap krijgt van een ander zintuig (de visuele waarneming). Op personificatie berust eveneens ‘sterren vallen doodsbleek uit hun banen’; sterren zijn immers geen personen die doodsbleek kunnen wegtrekken.
Ook de laatste strofe zit vol met beeldspraak. Metaforen zijn ‘nachtdroom en dagdroom’; ze staan voor slapen en waken, voor onderbewustzijn en bewustzijn. Door de vergelijking met ‘schildwachten’ krijgen ‘nachtdroom en dagdroom’ menselijke eigenschappen toegedicht, ze worden dus gepersonifieerd. Het ‘vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren’ duidt metaforisch de angstaanjagende nieuwe dag aan. De ‘uren’ krijgen door het ‘vuurpeloton’ menselijke eigenschappen, wederom een personificatie dus, die ook nog eens wordt beklemtoond door het adjectief ‘bedaard’. Tenslotte zouden we
Changement de décor als geheel door de brede en uitvoerige uitwerking kunnen opvatten als een homerische vergelijking.
Het aanbreken van de dag is in de literaire traditie een geliefd onderwerp, het werd een
topos. Ik rond mijn bespreking af met twee dageraadsgedichten. In
De dag gaat open als een gouden roos verwoordt Herman Gorter in de verheven taal der Tachtigers zijn ervaring van een nieuwe dag. Vervolgens een ontwaken in onze tijd: Jannah Loontjes’
Geplastificeerd.
De dag gaat open als een gouden roos
De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan 't raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tussenpoos.
En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga 'k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit
en ik bij donkren wand stil peinzend poos.
Ik heb 't gevonden, het mensengeluk,
als moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannend worstlen en ijdel gebaar.
Maar zo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik 't geluk gevonden.
Herman Gorter - Verzen (1890)
Geplastificeerd
Boven de daken rekt een onverschillige
lucht zich uit. Buiten nieuwbouwmuren
gapen blokkenwijken gelaten. En hier lig ik,
huisnr 6, in het rechte rijtje buren.
Verscholen tussen lakens. Oren in koepels.
Handen, knieën om mijn kin. Nog zo’n ochtend.
Nog zo’n illusie van nieuw begin. Het huis krimpt.
Minuten kruipen. Ik ben een klein product.
Een tablet in plastic opgesloten. Een paracetamol.
Een stip in civiel patroon van de doordrukstrip.
Jannah Loontjens - Het ongelooflijke krimpen (Prometheus 2006)
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende