Om te beginnen
'Avondgeluiden' werd na Paul van Ostaijens dood onder de 'Nagelaten Gedichten' gepubliceerd in
Vlaamsche Arbeid, dl. 23, 1928, afl. 3/4. Gerrit Borgers vermeldt in zijn verantwoording dat de tekst van het handschrift, "op een blocnotevel van groenachtig linnenpapier met paarse inkt geschreven", op de achterzijde het gedicht 'Boerecharleston' bevat. In de oorspronkelijke versie wijkt de spelling enigszins af van die in de
Verzamelde Gedichten: “avond” wordt, ook in de samenstellingen geschreven als “avend” en vers 6 begon oorspronkelijk met een hoofdletter.
In de 'Nagelaten Gedichten' staan veel meer bekende gedichten. Wie kent niet 'Marc groet 's morgens de Dingen', 'Huldegedicht aan Singer', 'Rijke Armoede van de Trekharmonica', of 'Alpejagerslied'? Ook de eerder in de Klassiekers besproken gedichten 'Melopee' (nr. 9) en 'Het Dorp' (nr. 85) vinden we hier.
Stroming
Op het etiketteren met een stroming heb ik het niet zo begrepen. Bij Van Ostaijen vallen heel wat termen: dilettantisme, unanimisme, humanitair expressionisme en organisch expressionisme, om maar iets te noemen. Nu is daar ook weer niets mis mee, want Van Ostaijen heeft een snelle stijlontwikkeling doorgemaakt, zoals we dit ook bij de schilder Malevitsj zien. Maar het is zaak om naar dit gedicht te kijken en ons niet in handboeken te verdiepen, hoe waardevol die ook kunnen zijn.
Het gedicht
Rijm en metrum zijn middelen waarvan Van Ostaijen zich niet bedient. Daar moet je als dichter erg mee uitkijken. In de huidige poëzie zijn er naar mijn smaak teveel dichters die in spreektaal zinnen en flarden daarvan produceren, die, als je ze achter elkaar zou zetten, geen enkele poëtische kracht vertonen. Probeer dat maar eens met dit gedicht:
“Er moeten witte hoeven achter de zoom staan van de blauwe velden langs de maan ’s avonds hoort gij aan de verre steenwegen paardehoeven.”
Uiteraard heb ik ook niet met een slash de scheiding tussen de verzen aangegeven. Wat zien we nu gebeuren? Tussen “staan” en “van de blauwe velden” stop je, zoals bij een enjambement gebruikelijk is, even met hardop lezen. Waarom? Je zou hebben doorgelezen, als er “zoom van de blauwe velden” had gestaan, hoewel je dan bij “langs de maan” toch weer even zou moeten wachten, omdat hier een onverwacht element opduikt. Dan komt “’s avonds” en of je het wilt of niet, je ervaart dit als een nieuw begin. “paardehoeven” zou sterk aan kracht verliezen, als je geen scheiding met het voorgaande zou aanbrengen. Nu wordt alle aandacht hierop gevestigd. Hopelijk is dit voldoende om de poëtische kracht van 'Avondgeluiden' te tonen.
Er bestaat in de poëtische literatuur een zekere traditie van gedichten, waarin de droom centraal staat. Bekend zijn bijvoorbeeld 'Droom is ’t leven' van Jan Luyken, het Sonnet 'Mijn Lief, mijn Lief…..' van P.C. Hooft en 'XXXIV' ('Der menschen hoogste smart is wonderbaar') van Willem Kloos. 'Avondgeluiden' vertoont zelfs overeenkomsten met dit laatste gedicht. Dit droommotief staat centraal in mijn bespreking.
“Er moeten witte hoeven achter de zoom staan.” Zo luidt het eerste vers. Met “moeten” drukt de dichter een veronderstelling uit. Waarom die hoeven wit zouden moeten zijn – het is niet gebruikelijk in het Vlaamse landschap – begrijp je pas bij het woord “maan” in het tweede vers. De dichter associeert dit “witte” met “maan”, vooruitlopend op de plaatsing van dit woord. Dan is er nog het woord “zoom”, waarbij je je afvraagt waarvan die zoom de begrenzing vormt. Het antwoord luidt natuurlijk: “van de blauwe velden”, maar dan is er toch iets aan de hand, want doorgaans zijn velden niet blauw. In het derde vers vinden we de sleutel tot het antwoord op deze vragen: “’s avonds”. Waarom?
De door mij genoemde begrippen zijn niet reëel, maar ontspruiten aan het bewustzijn – eerder nog het onderbewustzijn – van de dichter. Hij is half in slaap gevallen, maar in die sluimering is hij nog wakker genoeg om geluiden uit zijn omgeving op te vangen. Dat verklaart de kleuren wit en blauw, de zoom is ook de grens tussen slaap en wakker zijn. Aan de andere kant van die slaapgrens zijn er de hoeven. Die zijn er ook, als de dichter nog wakker is, dat besef heeft hij, maar de droomgestalte van de hoeven vertoont de kleur wit. Deze kleur, die symbolisch staat voor het pure, het zuivere, voor reinheid, dringt zich aan de halfslapende dichter op tegelijk met de kleur blauw, de kleur van geluk en hartstocht. Die kleuren vind ik terug in 'Paradise regained' van Marsman, evenals de fonteinen, zij het daar van licht: “langs blauwe bergen van de morgen”, “zwervende tussen fonteinen van licht” en de laatste strofe:
“’het schip van de wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen –
wij gaan terug naar ’t Paradijs’. “
Ook dit gedicht vertoont de sfeer van de droom. Terug naar Van Ostaijen.
Het is heel stil op het platteland. Nu niet meer, maar in de tijd van Van Ostaijen wel. In die stilte hoort hij het geluid van paardenhoeven op de steenwegen. Waarom dit laatste woord? In een tijd, waarin veel wegen nog onverhard waren, werd dit woord gebruikt voor verharde wegen. Je moet dan wel denken aan de beruchte kasseien van de wielerwedstrijden, nu nog als aandenken op een paar plaatsen gehandhaafd. Die paarden zijn in de landelijke stilte duidelijk hoorbaar en het geluid dringt door tot de dichter in zijn halfslaap en verbindt zich met de droombeelden.
In vers vijf wordt die verbinding uitgedrukt: “dan hoort gij alles stille waan”, het geluid wordt met de waan tot een eenheid. Er dringt nog een ander geluid tot de dichter door. Welk vertelt hij niet. Het zou het geluid van het water in een al of niet lekkende dakgoot kunnen zijn, het zou even goed het geluid van het stromende bloed achter de trommelvliezen kunnen zijn. In ieder geval ervaart hij dit in zijn droom als sijpelend water en de associatie met de maanfonteinen heeft dan al plaatsgevonden. In dromen kun je je soms in een onmetelijke ruimte bevinden, dit klinkt door in “verre”.
De associatie met het drinken ligt voor de hand, als het over paarden en water gaat. Die lezen we hier dan ook. Zelfs het hinniken van de paarden dringt tot de dichter door, die misschien al enigszins uit zijn slaap ontwaakt. Bij dit ontwaken beseft hij dat de paarden, zo laat nog op pad, huiswaarts gaan, “stalwaarts”.
André Breton (1896-1966) was een tijdgenoot van Van Ostaijen, zij het dat hij wel wat langer leefde. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het surrealisme in de literatuur. Jarenlang heeft hij geëxperimenteerd met wat hij “automatisch schrijven” noemde. Dit hield in dat wat de auteur schrijft, regelrecht uit zijn onderbewustzijn voortkomt, mits hij zijn werkelijkheidsbeleving loslaat. Wanneer gebeurt dit duidelijker dan in de (half)slaap? Vandaar dat Breton ook de hypnotische slaap bij zijn experimenten betrok. Van Ostaijen, die als activist om politieke redenen na WO I enkele jaren in Duitsland verbleef, legde daar contacten met dadaïsten en Bauhauskunstenaars. Breton begon zijn loopbaan als dadaïst en het moet daarom bijna zeker zijn dat Van Ostaijen kennis van zijn latere ideeën moet hebben genomen. Maar ik zie hem er ook voor aan dat hij los daarvan zonder meer een droomervaring in dit gedicht heeft vertolkt. Dan bestaat er toch grote verwantschap met de theorie van Breton. Het gedicht is autonoom, dat wil zeggen dat het los staat van de uiterlijke werkelijkheid en dat intuïtie een grote rol in de conceptie van het gedicht speelt. Vanuit de droom (rêve) wordt een nieuwe beleving aan de dichter geopenbaard, het is een revelatie. In dit gedicht vinden we een beleving, zoals bijvoorbeeld ook in 'Melopee' die in taal wordt uitgedrukt zonder dat de ratio wordt gebruikt, het is een intuïtieve benadering.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende
128Ellen Warmond - Changement de décor