Het geluk is overkomelijk. Men plaatst het
in een vitrine en gaat aan het werk.
onder weloverwogen commentaar.
verlicht tentoongesteld staat, te beschouwen.
Men stoot de deelgenoot erover aan.
is niet eens een vraag: totaal. Wij zijn niets
dan ons geluk, en het geluk is waar wij zijn.
slaan we soms de ogen neer. De vochtige
doek hangt slap in onze handen. Zo mooi.
Mark Boog (1970) debuteerde in 2000 bij uitgeverij Meulenhoff met
Alsof er iets gebeurt, een bundel waarvoor hij de C. Buddingh'-prijs kreeg. Hij schrijft mooie, ingetogen gedichten, waarin geen woord teveel staat. Als onderwerp kiest hij graag het onbehaaglijke in huiselijke setting. Het gedicht ‘Geluk’ is hierop geen uitzondering. In elf zinnen beschrijft hij op cynische wijze het begrip ‘geluk’, hoewel ‘huiselijk geluk’ een betere omschrijving zou zijn. Het hier genoemde geluk is namelijk oer-Hollands en hoort thuis in het rijtje waar ook de term ‘gezellig’ in staat. Zoals het zich laat verhouden: wat is het gezellig hier met zijn allen, we moeten wel gelukkig zijn.
De dichter Rimbaud noemde ooit geluk een kwaal van de bourgeoisie en daarom niet nastrevenswaardig. Mark Boog neemt hier ook afstand van het begrip geluk, maar dan op een minder radicale, meer gestileerde wijze. Hij maakt van geluk een object, zodat hij er kunstjes mee kan uithalen. Een procédé dat vaker in de kunsten wordt toegepast. In dit geval wordt het geluk een object dat in een huiskamer staat en gekoesterd wordt als een trofee. Het is echter geen jachttrofee of beloning voor gedane arbeid. Het geluk is een trofee waar men geen moeite voor heeft gedaan, het ís en wordt daarom gekoesterd. Sterker nog: het geluk is iets dat alleen maar gekoesterd kán worden. Het heeft verder geen nut. Vandaar ook de vitrine die onze afstand tot het geluk duidelijk maakt.
Het begrip geluk wordt niet verder ingevuld, wat dit gedicht juist zo sterk maakt. Alleen de manier waarop er met dit geluk wordt omgegaan, wordt beschreven. En die is veelzeggend.
In de tweede strofe wordt er een huiselijke connotatie aan toegevoegd. Pas na de gedane arbeid wordt ervan genoten, alsof het gaat om een glaasje dure cognac. Het woord ‘deelgenoot’ is daarbij natuurlijk uitstekend gekozen. Alleen anderen die dezelfde vorm van geluk ervaren, mogen erover meepraten. Aan het einde van de tweede strofe is zo het beeld ontstaan van een perfect huiselijk geluk dat voldaan genoten wordt.
Maar dan neemt het gedicht een wending. In de derde strofe verandert het onpersoonlijke subject in: wij. Er is een complot gesmeed en ‘wij’ moeten daaraan meedoen. De wij, dat zijn onder andere: de spreker en de lezer. Maar het ‘wij’ breidt zich ook uit tot alle Nederlanders. Dit gedicht zegt iets over onze de Hollandse manier om geluk ervaren. Noem dit geluk calvinistisch. Het bestaat en – wat we ook doen of laten – we krijgen het of we krijgen het niet. Op dezelfde manier beschouwen calvinisten de mogelijkheid van de verlossing van de erfzonde. Onze daden hebben hier volgens hun leer geen invloed op. Sommige mensen zullen in het hiernamaals verlost en anderen verdoemd worden, ongeacht onze daden op Aarde.
Kan de dichter het met de bewondering van dit geluk eens zijn? Nee, natuurlijk niet. Zeker niet een dichter als Mark Boog die schrijft over het huiselijke onbehagen. Hij begint ons daarom in de derde strofe te definiëren. Persoonlijk vind ik dat niet de sterkste zin van het gedicht. Maar we volgen de spreker toch in het kader van de ‘suspense of disbelief’ en nemen aan dat dit geluk ons totaal beheerst. Daarmee heeft hij ons waar hij ons hebben wil, namelijk volledig in de ban van zijn perceptie van geluk.
Hij voltooit het gedicht door ons, de lezers, bij de groep te voegen die hij in de eerste twee strofen zo afstandelijk beschreven heeft: de groep die het huiselijke, calvinistische geluk koestert als het hoogst haalbare. De cirkel is rond en het complot is gesmeed. Wij zitten ook vast aan onze vitrine met daarin opgeslagen ons geluk. Wij slaan vol bewondering het geluk samen met hen gade, terwijl we een slappe doek in onze handen houden. De slappe doek is een verwijzing naar Rutger Koplands bekende ‘Jonge sla’, en wellicht ook naar de slap neerhangende klokken van de schilder Dali. De spreker gebruikt namelijk de schoonheid als argument om de lezer aan te laten nemen dat het geluk ons totaal in beslag neemt. Met de laatste zin van het gedicht (‘Zo mooi.’) wordt de esthetische ervaring erbij betrokken. Deze ervaring neemt de toeschouwer ook volledig in beslag en verplaatst hem, voor de duur van de ervaring, als het ware buiten zichzelf. Evenals schoonheid is geluk een fenomeen dat geen nut heeft buiten zijn eigen bestaan en geen ander genoegen schenkt dan die van het laten bewonderen.
Eigenlijk is de clou al aan het begin weggegeven, toen de spreker stelde dat geluk overkomelijk is. We kunnen wel zonder, lijkt het gehele gedicht te suggereren. En wanneer we overdag werken, doen we ook zonder. Spreekwoorden als ‘dom geluk’, of: ‘het geluk is voor de dommen’, komen in mij op na het lezen van dit gedicht. En het besef bekruipt mij dat, hoewel wij aan het einde het geluk samen met de spreker aan het bewonderen zijn, de spreker meer weet dan wij en onze bewondering niet deelt. De spreker kent namelijk de grenzen van het geluk en laat ons die zien middels dit gedicht. Op deze manier wordt impliciet de reden van onze massale drang te streven naar geluk bevraagd. Het is een retorische vraag, want de goed verstaander heeft het eveneens impliciete antwoord al begrepen. Het is hetzelfde antwoord dat Rimbaud een ruime honderd jaar geleden ook al gaf.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende
128Ellen Warmond - Changement de décor
129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden