Een einde, waar geen mensch van weet.
Begrijp het slecht, en tast en schrik.
De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.
Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
EERSTE VERKENNING
Dit gedicht begint als een sonnet, jambe en twee kwatrijnen. Maar dan krijgt het een eigen karakter. Weliswaar vormen de rijmklanken in het sextet een regelmatig beeld: a-a-b-c-d-c-d-b – hoewel dit er nu niet direct als het rijmschema van een sonnet uitziet, maar de verzen van het tweede terzet zijn gefragmenteerd, waardoor er enjambementen zijn ontstaan. De sonnetvorm gaat hierdoor, voor wat het aantal verzen betreft, verloren, voorzover die tenminste intact was, want de lengte van de verzen in de eerste strofen varieert. Merkwaardig is ook dat het rijmschema alle mogelijke combinaties vertoont: gepaard (a-a), gekruist (c-d-c-d) en omarmend (b- … - b).
De taal is niet die van onze tijd. Logisch natuurlijk, want Hendrik de Vries, zoon van de in zijn tijd bekende taalkundige Wobbe de Vries, is literair opgevoed met dichters als Bilderdijk en met de Tachtigers.
HET GEDICHT GELEZEN
We zien onmiddellijk dat de broer van de ik-figuur wordt aangesproken, opvallend genoeg niet bij zijn naam, maar met het wat archaïserende mijn broer”. Via een enjambement gaan we naar het tweede vers, “gij leedt” is heel intrigerend en dit wordt versterkt door het mysterieuze einde van de broer.
Je kijkt even vreemd op als lezer bij het derde vers. Om twee redenen: de broer ligt naast de ik-figuur en hij, van wie net verteld is, dat hij op mysterieuze wijze aan zijn eind is gekomen, ligt nu weer naast de ik-figuur. In de negentiende eeuw was de gemiddelde grootte van de huizen nog niet als die in onze tijd en de gemiddelde gezinsgrootte was dit nu juist wel. Het kwam daardoor vaak voor dat kinderen uit één gezin op één kamer en vaak ook in één bed werden ondergebracht. De tweede vraag die oprijst, is: waardoor is die broer ineens weer aanwezig? In het derde vers gaat de dichter van de verleden tijd over naar de tegenwoordige tijd. Hij waant zijn broer naast zich, want als hij naar hem tast, schrikt hij. Het kan niet anders of de ik-figuur heeft gedroomd en de broer ligt er niet, als hij wakker schrikt.
Dan gaan we weer naar de tijdlaag in het verleden. De broer liep door een iepenlaan, het is al laat, maar de vogels laten zich nog horen. Het “roepen” klinkt onheilspellend, later zou A. Roland Holst dit werkwoord ook gebruiken, als hij het al niet over het “aangaan” van de zee had. Dat late roepen wordt bewaarheid, doordat een ondefinieerbaar wezen, een “entiteit” hoor je vaak in bepaalde kringen, hen volgt. “Toch woudt gij alleen gaan…”. Het eerste woord drukt iets als een tegenstelling uit. Begrijpelijk, want gedeelde angst is óók halve angst, maar de broer wil desondanks alleen verder. Het woord “woestenij” zet het onheilspellende van dit gebeuren nog eens extra aan.
Weer gaan we terug naar het heden, althans het zeer nabije verleden. De ik-figuur sliep weer samen met zijn broer. Dat kan niet anders dan in de droom gebeuren, gezien alweer het einde van die broer. Als je iemands hart voelt kloppen, is hij zeer nabij.
Maar nu schrikt de ik-figuur niet wakker, maar hij vraagt iets aan zijn broer, een vraag die al die jaren voor hem onbeantwoord is gebleven: waar ging je heen? Er komt ook een antwoord – opvallend is het nu verouderde begin van elk vers met aanhalingstekens als aanwijzing dat de geciteerde nog steeds aan het woord is -, maar dit is even duister als het gebeuren zelf, althans op het eerste gezicht.
DUIDING
Bij Hendrik de Vries vallen termen als “expressionisme” en “irrationaliteit”. Ik wil daar niet verder op ingaan, omdat ik meer geïnteresseerd ben in de betekenis van het gedicht zelf, maar na lezing van wat ik hier aanduid, zal blijken dat die termen toch niet zonder grond zijn gebruikt.
De sfeer van beklemming en angst beheerst vanaf het eerste vers het hele gedicht. Het suggereren van een vreselijke gebeurtenis ligt daaraan ten grondslag. In de tweede strofe wordt die gebeurtenis weliswaar beschreven, maar zodanig dat het raadsel blijft.
Waarom een weg met iepen en geen beuken of eiken? Het hout van deze bomen werd bij uitstek gebruikt voor doodkisten. Dat geeft deze boom al iets lugubers. Maar veel meer spreekt het tot onze verbeelding dat in Keltische tijden de iep geassocieerd werd met elfen - meestal kwaadaardige wezens en niet liefelijk, zoals bij Rie Cramers – en de dood. Ook was er een associatie met wijsheid, die toen weer verbonden was met magie. Ook had de boom een geneeskrachtige waarde, iepenbladeren werden gekneusd en met iepenblad rondom een wond gebonden. Dit zou genezing hebben bespoedigd. Kortom: de iep wordt met magie in verband gebracht.
In dit geval moeten we inderdaad ook met iets kwaadaardigs rekening houden. Naar welk doel leidt de weg met iepen? Welk wezen vervolgt hen beiden? Waarom wil de broer alleen verder? Wil hij zijn broertje behoeden voor het kwaad dat hem wacht? Het zijn allemaal vragen die door het suggestieve schrijven in dit gedicht worden opgeroepen. De broer gaat alleen verder door de woestenij. Ik kan er niets aan doen, maar dit roept in mij nu het landschap van Marten Toonder op, wanneer hij een bedreiging voor Ollie B. Bommel tekent. Het landschap is topisch, het is de plaats waar de verschrikking heerst.
Die vragen vat de ik-figuur in één vraag samen: waar ging je heen? Het eerste antwoord is eigenlijk een afrader: je moet je in deze dingen niet verdiepen, daarvoor is het te gruwelijk. Het vervolg op dit antwoord staat in de tegenwoordige tijd: wat gebeurd is, kan nu weer gebeuren. Het gras ligt met iepen omkringd. In de oude overlevering is de heksenkring een bekend gegeven. Dit was een magische cirkel met een gruwelijke uitwerking voor diegene die zich erbinnen waagde. De voorwerpen die zich in de kring bevonden, kregen een karakter, zij drukten de verschrikking uit die van de magiër in het midden van de kring uitging. Personen die zich in deze kring waagden, verloren hun karakter, hun eigen persoonlijkheid en werden willoze werktuigen van de magiër. Ik lees hierin door het gebruik van de tegenwoordige tijd dat dit met de broer is gebeurd, maar dat dit elk moment ook weer kan gebeuren. Daarmee wordt de verschrikking heel actueel gemaakt.
TOT SLOT
Is het een wonder dat deze vermenging van afzichtelijkheid in droom en werkelijkheid samen surrealistisch wordt genoemd? Je kunt hiertegen aanvoeren dat het surrealisme meer in het interbellum past en nog meer na 1945, dat het eigenlijk een stroming in de schilderkunst is, zij het dat Breton dit in de literatuur als methode wilde gebruiken. De datering van de bundel, 1920, is dan toch weer niet zo heel veel vroeger dan de eerste surrealistische verschijnselen.
Maar dat is slechts een kanttekening. Voor mij is veel belangrijker wat dit gedicht in mij oproept bij het lezen, de angst en beklemming die we als kind soms ervoeren, niet alleen in onze dromen.
***
In
Hendrik de Vries - Een raadsel in de nacht , een keus uit zijn gedichten samengesteld en ingeleid door Jan van der Vegt, Meulenhoff | Manteau, Amsterdam - Antwerpen 2006, staat een gemoderniseerde versie van het gedicht met aangepaste interpunctie en strofe-indeling:
Mijn broer
Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mens van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.
De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.
Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
Het antwoord was:
'Te vreselijk om zich in te verdiepen,
Zie: ’t gras
Ligt weder dicht met iepen
Omkringd.'
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende
128Ellen Warmond - Changement de décor
129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden
130Mark Boog - Geluk
131Jane Leusink - Geen spaak
132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner