Een vreemd man, in een vreemd land.
En straks aan de overkant.
Dan opkijkt en om zich ziet.
En toch is het altijd geweest.
wat avondzon op mijn hand.
VORM EN PERSPECTIEF
Na een paar keer lezen vallen meteen verschillende vormaspecten van dit gedicht op.
Ten eerste de vormvastheid van drie strofen van elk zes regels, waarbij dit strakke stramien wordt versterkt door de herhaling van de regels van de eerste strofe in de derde: 1 herhaalt zich in r. 13, 2 in r. 14 en zo verder, met kleine of iets grotere nuanceverschillen.
Ten tweede vindt er een verschuiving van het perspectief plaats. In de eerste strofe zien we een alwetende verteller die als het ware van bovenaf naar de man op de bank kijkt. We zien wat de man ook om zich heen ziet, maar we kijken niet in zijn hoofd, weten nog niets van zijn gedachten. De man zit er 'vaak' (r. 2), het is aan het water en het is er groen. Er gebeurt niet veel terwijl hij daar zit. Dan lijkt het perspectief in r. 6 al iets te verschuiven. Er wordt in ieder geval iets van toekomstig handelen verteld: 'straks aan de overkant'. Denkt de man dat, of gaat hij straks daadwerkelijk naar de overkant van die rivier? Er wordt geen rivier genoemd, maar het heeft er alle schijn van dat met deze plek de Brent wordt bedoeld, een zijrivier van de Theems die loopt van noordoost naar zuidwest in Groot-Londen. Dit is heel aannemelijk, omdat Van Eyck o.a. correspondent van de NRC is geweest in Londen.
Regel 5 en 6 lijken me een toespeling op de uitdrukking: ‘elders is het gras groener’.
In de tweede strofe wordt een hij-perspectief gebruikt. De man leest, een stil begin van een lied, misschien is het een gedicht? Hij onderneemt weinig, ondergaat de vreemde omgeving en probeert zich deze eigen te maken door stil op (telkens) dezelfde plek aan de rivier te zitten. In regel 10 weten we wat hij denkt; het woord 'bedeesd' versterkt nog eens de passieve houding: er lijkt weinig ondernemingslust te zijn.
Dan verschuift het perspectief nogmaals in de derde strofe, namelijk naar het ik-perspectief. Hier wordt prachtig één moment gevangen: hij zit daar, in de avondzon, alleen in een vreemd land. Er is niets dan hijzelf op die plek en op dat moment. We lezen niets over verdere gedachten, referenties of associaties. Dit lijkt op dagelijks mediteren, versterkt door de herhaling van de inhoud: de derde strofe is een spiegeling van de eerste. Het rijmschema benadrukt ook het lege, lome moment van zitten op de bank en kijken naar het water: abbaba / cddcdc / abbaba.
SYMBOLIEK
Na bovenstaande beschrijving van inhoud en vorm, valt er ook zeker nog een en ander te zeggen over de
symboliek in dit gedicht.
Een vreemd man, in een vreemd land (r.1). Dat vreemde land als Engeland op te vatten, ligt voor de hand, maar we mogen niet over 'een vreemd man' heen lezen. Het kan duiden op het geïsoleerde bestaan dat Van Eyck heeft geleid, al vanaf zijn vroege jeugd. In feite heeft hij zijn leven gewijd aan de literatuur en misschien legt hij in dit gedicht een verklaring af aan zijn zoon Aldo aan wie dit gedicht is opgedragen. Hij laat dan hier zowel zijn eenzaamheid als de betekenis van zijn dichterschap zien. In dit licht bezien, kan met dit ‘vreemde land’ ook dit leven bedoeld worden.
R. 5 en 6 lijken mij een toespeling op de uitdrukking ‘elders is het gras groener’. Er lijkt een verlangen uit te spreken later (straks) ook de ‘overkant’ te onderzoeken. Met deze overkant kunnen meerdere dingen bedoeld worden. In dit leven wellicht letterlijk de overkant van de rivier, misschien wordt ook wel Ierland bedoeld. Van Eyck interesseerde zich voor de Ierse kwestie. Maar als wij het gedicht plaatsen in het Symbolisme, dan moeten we toch denken aan het leven aan ‘gene zijde’, dus aan de dood. Daar sluit de symboliek van de zwaan (r. 4 en r. 16) bij aan. Een zwanenzang is het laatste gedicht dat een dichter schrijft voor hij sterft. Zo ver is het nog niet: 'een man die even leest, het stil begin van een lied' (r. 7 en 8). De zwaan talmt, het is nog niet zover dat de ziel van de dichter in hem overgaat, hij zingt nog geen lied, het is immers een stil begin.
De regels 10, 11 en 12 duiden ook op de persoonlijke problematiek van de dichter: de spanning tussen verbeelding en zintuiglijke waarneembaarheid. Hij zit er bij het water en ziet alles om zich heen, en nog kent hij het niet. Dit is ook kenmerkend voor de overgang van het Impressionisme naar het Symbolisme.
De locatie
Zoals eerder gezegd, lijkt het mij heel waarschijnlijk dat Van Eyck deze rivier in Londen vaak heeft bezocht, in de periode tussen 1920 en 1935 toen hij in Londen als correspondent voor de NRC werkte. Het zal een rustige, groene plek geweest zijn in die tijd, het water van de rivier nog schoon. Vandaag de dag is de rivier sterk vervuild. Alhoewel er in het hele gedicht verder geen brug wordt genoemd, zou de dichter met de titel de Kingsbury Bridge bedoeld kunnen hebben, die al in de 19e eeuw bestond, zie hieronder.
Kingsbury Bridge, carrying the busy Neasden Lane over the Brent, was known from before the last century. In 1881 it was washed away during a flood. A temporary wooden structure lasted until 1892 when a girder bridge of 31 ft. between the parapets was built. This served until 1922 when it was rebuilt to facilitate access to the British Empire.
***
Pieter Nicolaas van Eyck (Breukelen, 1 oktober 1887 - Wassenaar, 10 april 1954) was een Nederlands dichter en criticus uit de generatie van 1910, waartoe ook dichters als Adriaan Roland Holst , Geerten Gossaert en J.C. Bloem behoorden. Hij ontving in 1947 de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Pieter Nicolaas was de vader van de architect
Aldo van Eyck (1918 - 1999).
In een aantekening achter in de bundel vermeldt Van Eyck over
Brent Bridge: 'opgedragen aan Aldo.'
Zijn bekendste gedicht is
De tuinman en de dood, waarvan inmiddels zeker is dat hij het plagieerde van een gedicht van de Franse kunstenaar Jean Cocteau (1889 - 1963) uit diens bundel
Le Grand Ecart.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende
128Ellen Warmond - Changement de décor
129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden
130Mark Boog - Geluk
131Jane Leusink - Geen spaak
132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner
133Hendrik de Vries- Mijn broer