HET LOT VAN EEN BLINDE
Ik ben geen Kouwenaar-kenner. In feite lees ik bijna nooit Kouwenaar. Ik vind hem meestal moeilijk, en een beetje onnatuurlijk in zijn taalgebruik. Maar toen ik dit gedicht las, of liever: de eerste regel ervan, was ik verkocht. Later ben ik de rest ook gaan waarderen, maar ik vind nog steeds dat die eerste regel de echte klassieker van deze klassieker is. Hij verdient de eerste plaats op het papieren podium waarop hij staat.
Welja, hij is haast zelf als een compleet gedicht op te vatten, die eerste regel! Zo afgerond komt hij over, ondanks zijn inleidend karakter. Hij heeft een eigen onderwerp binnen dit gedicht (dat over het verlies van een geliefde persoon gaat): het relatief zijn van leeftijd. Ja, een eendagsvlieg mag dan, letterlijk genomen, na één dag op zijn laatste pootjes lopen, wij vinden dat naar onze maatstaven nog piepjong. Iets dergelijks, maar dan in omgekeerde zin, valt te constateren wanneer we onze leeftijd met die van de wereld vergelijken: als we nog jong zijn lijkt de aarde stokoud, maar als we oud zijn is háár leeftijd – die op de schaal van miljarden jaren wordt gemeten – nauwelijks veranderd. De planeet van ‘middelbare leeftijd’ blijkt nu ‘jong’ verleken met een mens van 75 (ik kan hier eindeloos over nadenken)!
Zoals ik al opmerkte: de rest van het gedicht mag er ook wezen. Maar om het allemaal te begrijpen moeten we ons, echt op z’n Kouwenaars, woordje voor woordje tussen de regels doorworstelen. Ongeveer zoals we die hoge bergen in de tweede regel zouden beklimmen (maar ‘wij’ stonden er al op, volgens het gedicht, dus dat hoeft niet meer). Zijn het overigens wel bergen? Het lijken, in de context van het gedicht, eerder (hoge) verwachtingen, waar wij ‘op stonden’: misschien in de zin van ‘op afgestemd waren’.
‘Een ver land’ kan natuurlijk gewoon een ver land zijn, maar lijkt hier eerder een land ver terug in de tijd. Het land van de jeugd? In elk geval een land waar ‘wij… in het dal diep beneden een lange roerloze roestige trein zagen’. Een trein die, net als de wereld, nog oud is (en dus roestig) in het oog van wie jong de volheid van het leven ervaart. Maar mogelijk levert de trein ook een beeld voor de toekomst. Men kan zich een rij van dagen voorstellen als een trein. Een trein die roest vertoont en roerloos is omdat de personen die er naar kijken er een wat starre, ideaal gedachte, romantisch-conventionele toekomstvisie op na houden? Waarschijnlijk. Hoewel het roerloze zich natuurlijk ook laat verklaren doordat de toekomst letterlijk nog onaangeroerd is.
Onbestaanbaar wordt de trein ‘alleen in het oog van een hevige leegte’, dat is: het oog van wie die toekomst heeft gehad, het leven bijna voorbij is, de hoge bergen van zijn verwachtingen is kwijtgeraakt en dat nu als ‘een hevige leegte’ ervaart.
De metgezel van de ik-persoon werpt de hemel een kushand toe. Deze daad, die wat overmoedig aandoet, maar in elk geval van een gelukkig gemoed getuigt, heeft ook iets van een gebaar van afscheid. Een onbedoeld afscheid, mogen we aannemen. De ironie is natuurlijk dat in ons leven de verwachting van geluk maar al te vaak het geluk zelf blijkt te zijn. En inderdaad, de tweede strofe bevestigt dit: de palmen, waartussen de hand-palm van de kushand waarschijnlijk ook te vinden is, beginnen al te kwijnen. Maar eerst in de eerste strofe nog een fraaie meervoudigheid aan betekenissen: een reisgids kan zowel een persoon als een boekwerk zijn en de kinderen kunnen zowel leren
aan als leren
van.
‘Het donker was week op het scherp van de snede’ lijkt me een typische, knap geconstrueerde Kouwenaar-zin (maar zoals ik al zei: ik ben geen kenner). ‘Week’ drukt niet alleen een gevoel uit, zoals bijvoorbeeld een romantische nacht weke gevoelens los kan maken, maar is ook een vervoeging van het werkwoord ‘wijken’. ‘Was’ doet denken aan een kaars (de beroemdste in Shakespeare’s Macbeth: out, out brief candle!), en aan vlees. Men hoeft zich slechts Madame Tussauds voor de geest te halen en dit ‘was’ wordt belichaamd. ‘Donker was’ is dan misschien een door de zon gebruind lichaam. Of staat dat ‘donker’ meer voor de ondoorgrondelijkheid van de verlangens van het lichaam, waarvan ‘het jeugdige’ als donker was wijkt naarmate we ouder worden? Het donker was week (‘week’ in de betekenis van ‘verdween’) op het scherp van de snede! Let op: niet het scherp
st van de snede, maar het scherp. Logisch natuurlijk, want er is maar één scherp iets op deze snede: het ogenblik waarin we leven. Een ogenblik dat ons leven snijdt in toekomst, heden en verleden en dat ‘een sterke, soms pijnlijke indruk op de zinnen maakt’ (betekenis van ‘scherp’ volgens het woordenboek).
Dat Kouwenaar aan het eind van de vierde regel van de tweede strofe ‘jij’ schrijft (en daarmee twee keer jij achter elkaar) is een fraaie kunstgreep. Zo krijgen we als lezers het gevoel dat het ‘wijken’ van ‘het donker was’ ook voor de ‘jij’ geldt. Tevens maakt hij een mooi rustpuntje in een regel die anders misschien te lang en te zwaar wordt. Zwaar is in elk geval ‘het ondraaglijke lot van een blinde’ dat gekocht wordt. Wanneer we denken aan de roerloze trein uit de eerste strofe, kunnen we dat lot als een soort treinkaartje zien. Maar waarom heeft de dichter het over het ‘ondraaglijke’ lot van een ‘blinde’? Daarvoor moeten we naar het begin teruggaan: ‘toen wij nog jong waren… en in het dal diep beneden een… trein zagen’, is de enige regel van het gedicht waarin sprake is van ‘zien’. Een zien dat eerder ‘een schouwen door verbeelding’ is, dan een werkelijk zien met de ogen (als we de trein als een beeld voor de toekomst be-schouwen). Maar men wordt ouder, en men ‘ziet’ steeds minder toekomst voor zichzelf. Dat is het lot van ons allemaal. En in die zin blind worden kan ondraaglijk zijn, vooral wanneer er helemaal geen toekomst meer is, wanneer iemand voorgoed de ogen sluit. Overigens is het lot wat ons te wachten staat natuurlijk altijd het lot van een blinde, omdat we geen van allen weten wat de toekomst brengt.
De derde strofe bevestigt het bovenstaande. ‘Nu is het dus later’ luidt paradoxaal ‘een avond na jaren’ in. De hele regel ‘nu is het dus later, een avond na jaren, de dood’, kunnen we ook inkorten tot ‘nu is het dus () dood’, met de dood keurig aan het eind, zoals te verwachten valt. De trein (de toekomst van toen) is dood, en ook dood-stil vertrokken. Met het roestige eraf: de wereld wordt intussen door de tijd relatief steeds jonger! Maar de tijd van het lot, het treinkaartje, is verlopen. Ons lot bestaat alleen als we leven en niet meer daarna, lijkt Kouwenaar te willen zeggen. Een visie op het lot die hij deelt met een dichter als Achterberg (zoals blijkt uit diens gedicht Werkster). Tenslotte ligt de reisgids open: het leven dat geleefd is, is bekend, is herinnering geworden.
Het gedicht eindigt heel mooi, met twee fraai allitererende regels die een weemoedige sfeer oproepen. Onder eendere oudere bomen blijft de ik-persoon achter. Zelf stam geworden waarschijnlijk, nu zijn kinderen, zijn af-stammelingen zijn opgegroeid. Hij drinkt al drinkend zijn glas en tegelijkertijd ‘de hese stem’ van wat vermoedelijk de woorden van zijn overleden echtgenote zijn. Dezelfde die zij riep (haar stem is niet voor niets hees) toen ‘het oor dronk’, aan het eind van de tweede strofe. Zo, in haar afwezigheid, hoort hij beter haar stilte…
Tot zover deze wat losse aantekeningen. Er valt nog veel meer over dit gedicht te zeggen, dat weet ik zeker. Kouwenaar is geen dichter die zich gemakkelijk helemaal geeft. Men moet er de tijd voor nemen om in zijn poëzie wortel te schieten. Mijn plantje staat er pas.
Eerder verschenen:
1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2J.P. Rawie - Interieur
3Jan Kal - Mont Ventoux
4Jan Emmens - Voor de kade
5M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7Gerrit Achterberg - Dryade
8Gerard Reve - Wiegelied
9Paul van Ostaijen - Melopee
10Hanny Michaelis - Het kind
11J.C. Bloem - De nachtegalen
12Gerrit Achterberg - Verzoendag
13Hans Warren - Bekentenis
14E. du Perron - Het kind dat wij waren
15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17H. Roland Holst - De zachte krachten
18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19J.H. Leopold - Staren door het raam
20Han G. Hoekstra - De ceder
21Paul Rodenko - Het beeld
22Anna Blaman - De Spin
23Martinus Nijhoff - Moeder
24Martinus Nijhoff - Impasse
25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27Ad Zuiderent - Tuinpad
28Jan Hanlo - Oote
29Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31Jacques Hamelink - Grijsaard
32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34Ed. Hoornik - Overgang
35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36Jan Kuijper - Statica
37Lucebert - vrede
38Lucebert - gedicht
39Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40Anthonie Donker - Achterbalcon
41Gerrit Kouwenaar - men moet
42Anneke Brassinga - Roeping
43Jan Arends - drie gedichten
44Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45Ria Borkent - Sieraad
46Simon Vestdijk - Het kind
47Jac. van Hattum - Visvangst
48Simon Vestdijk - De overlevende
49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50Leo Vroman - Een boot
51W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52H. Marsman - 'Paradise regained'
53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54Willem Jan Otten - Op zaal
55Hester Knibbe - Vannacht
56J. Slauerhoff - De ontdekker
57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59J.H. Leopold - Regen
60Jan G. Elburg - gelovig soms
61J.C. Bloem - Insomnia
62J.H. Leopold - Saadi
63Anton Korteweg - Wij samen
64Frederik van Eeden - De Waterlelie
65Leo Vroman - Nacht
66Hans Andreus - Laatste gedicht
67Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68Gerrit Komrij - Een gedicht
69Gerrit Achterberg - Fotografie
70Patty Scholten - De olifant
71Leo Vroman - Voor wie dit leest
72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74Gerrit Krol - Roodborstje
75Ida Gerhardt - Christus als hovenier
76Co Woudsma - Thuis
77Herman Gorter - Zie je ik hou van je
78Judith Herzberg - Een kinderspiegel
79Harmen Wind - Remedie
80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer
81M. Vasalis - De idioot in het bad
82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou
83A. Roland Holst - De ploeger
84Hein Walter - Hestia
85Paul van Ostaijen - Het dorp
86Herman de Coninck - Voor mekaar
87Hans Andreus - Liggen in de zon
88Paul Marijnis - Bij een boeket
89Lloyd Haft - Naar Psalm 1
90Chrétien Breukers - Een bericht
91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden
92Leo Herberghs - Psalm 23
93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens
94Esther Jansma - Raam in de lucht
95Leo Vroman - Jeldican en het woord
96Marc Tritsmans - Vermeer
97Gust Gils - een minnend paar
98Hans Faverey - Ik sla een hoek om.
99J. Slauerhoff - Dit eiland
100Hans Kloos - Panta rhei
101Anna Enquist - Ineens
102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter...
103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld
104H.A. Gomperts - Côte d'Azur
105C.O. Jellema - Aurora borealis
106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen
107Miriam Van hee - reeën
108J. Slauerhoff - Brieven op zee
109Bernd G. Bevers - Het wonder
110Marjoleine de Vos - Het leven in juni
111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen
112Gabriël Smit - Omdat wij zijn
113Gerrit Achterberg - Code
114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante
115Patrick Lateur - Mirjam
116Ankie Peypers - Een jonger vrouw
117M. Vasalis - Cannes
118J. Slauerhoff - De Zonnesteek
119Hans Andreus - Mol
120Kester Freriks - Sprookje
121Hester Knibbe - Psalm 4631
122Simon Vestdijk - Zelfkant
123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde
125Geert van Istendael - Spade
126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs
127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende
128Ellen Warmond - Changement de décor
129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden
130Mark Boog - Geluk
131Jane Leusink - Geen spaak
132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner
133Hendrik de Vries - Mijn broer
134P.N. van Eyck - Brent Bridge